Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

surrogaat - (vervangingsmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

surrogaat zn. ‘vervangingsmiddel’
Nnl. surrogaat ‘stof ter vervanging van iets wat duur of moeilijk verkrijgbaar is’ in koffij-surrogaat [1812; Leeuwarder Courant], wij stelden ons tevreden met wat men Surrogaten noemde [ca. 1830; WNT], bedriegelijke surrogaten of vervalschingen [1877; WNT vervalsching], ook overdrachtelijk ‘vervangingsmiddel’ in Het uitpluizen van scabreuse voorvallen is 'n fatsoenlyk surrogaat voor ... scabreuse handelingen [1872; WNT Aanv. scabreus], Men verstaat dan onder gelooven een aannemen op gezag, ... een treurig surrogaat van weten [1897; WNT].
Misschien ontleend aan Engels surrogate, ouder surrogat ‘vervanging, vertegenwoordiging’ [1430; BDE], dat zelf ontleend is aan Latijn surrogātum ‘dat wat in plaats van iets anders gesteld is, substituut’, het zelfstandig gebruikte verl.deelw. van surrogāre ‘stellen in de plaats van, plaatsen onder’; dat ww. is gevormd uit → sub- ‘onder, bij’ en rogāre ‘vragen, voorstellen’, dat verwant is met rēctus ‘recht’ en regere ‘leiden, besturen’, zie → recht 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

surrogaat [vervangingsmiddel] {1824} < engels surrogate < latijn surrogatus, verl. deelw. van surrogare [vervangen, kiezen in plaats van] (vgl. subrogeren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

surrogaat znw. o., eerst nnl. < ne. surrogate < lat. surrogātus ‘plaatsvervanger’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

surrogaat o., naar het v.d. van Lat. surrogare = in de plaats kiezen (sub: z. op, — rogare = vragen, kiezen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

surrogaat s.nw.
Plaasvervanger, vervangingsmiddel.
Uit Ndl. surrogaat (1824) of Eng. surrogate (1604).
D. Surrogat (18de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

surrogaat (Latijn surrogatus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

surrogaat ‘vervangingsmiddel’ -> Indonesisch surogat ‘vervangingsmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

surrogaat vervangingsmiddel 1824 [WEI] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut