Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

supermarkt - (grote zelfbedieningszaak)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Winkelen en shoppen

Sinds de veertiende eeuw heten plaatsen waar artikelen worden verkocht ‘winkels’. Het woord winkel is afgeleid van wenken; oorspronkelijk duidde winkel een ‘hoek’ aan. De betekenis verschoof naar ‘hoekje – op straat, in een gebouw – waar koopwaar wordt verkocht’, en vervolgens naar de huidige betekenis. In de zestiende eeuw worden al gespecialiseerde winkels genoemd als ‘boeckverkoopers winckel’, ‘goutsmits winckel’, ‘aptekers winckel’ en ‘spijswinckel’. In de daaropvolgende eeuwen nam de specialisatie verder toe; toen kwamen er ‘grutterswinkels’, ‘bakkerswinkels’ en ‘modewinkels’.

Winkeldochter
VOC-koopman Pieter van den Broecke schreef in 1614 in zijn dagboek over de “coopliden” en “winckeliers” in “Catsinj” (het huidige Kochi in India), die “groote diven in haer neringhe sijn” (‘onbetrouwbaar zijn’). Uit de vele overgeleverde vrouwelijke varianten blijkt dat het beroep van winkelier vaak door vrouwen werd uitgeoefend: winkelierege, winkelierigge, winkeliersche, winkelierster.
Ook winkeldochter verwees vroeger naar een vrouw die in een winkel bedient; dochter is hier gebruikt in de verouderde betekenis ‘(jonge) ongehuwde vrouw’. De tegenwoordig gangbaarder figuurlijke betekenis is rond 1850 ontstaan: ‘artikel dat moeilijk te verkopen is’. De overgebleven waren werden vergeleken met een overschietende verkoopster – in een tijd dat ongehuwd zijn als ongewenst gold.

Winkel van Sinkel
Op de specialisatie van winkels volgde de fase van schaalvergroting. In 1822 opende Michael Anton Sinkel in Amsterdam een zaak met een nieuwe formule: de waren werden uitgestald in ‘winkelkasten’, ‘toonbanken’ en ‘etalages’, en kopers konden niet langer afdingen, maar moesten een vaste prijs betalen. In de jaren daarop opende Sinkel filialen in andere plaatsen. De omvang van het assortiment, die voor die tijd zeer opmerkelijk was, werd bezongen in het liedje: “In de winkel van Sinkel is alles te koop / Daar kan men krijgen mandjes met vijgen / doosjes pommade, flesjes orangeade / hoeden en petten en damescorsetten / drop om te snoepen en pillen om te poepen.” Hoewel de winkels in 1912 werden gesloten, staat winkel van Sinkel nog steeds overdrachtelijk voor ‘winkel waar alles te koop is’.

Duitse warenhuizen
In de negentiende eeuw werden meer winkelketens opgericht. Bekende voorbeelden zijn C&A, genoemd naar de voorletters van de Duitse broers Clemens en August Brenninkmeijer, die in 1841 in Sneek een winkel in confectiekleding openden. De naam van de winkelketen V&D gaat daarentegen terug op de achternamen van de zwagers Willem Vroom en Anton Dreesmann, die in 1887 een gezamenlijke zaak openden.
Voor dergelijke winkels bestond vanaf 1830 de naam warenmagazijn. Aan het begin van de twintigste eeuw veranderde dat in warenhuis. In 1904 staan de kranten bol van de vraag of Duitse kooplieden op de plaats van de oude Beurs in Amsterdam een ‘warenhuis’ (het woord staat nog tussen aanhalingstekens) mogen neerzetten. De woorden warenmagazijn en warenhuis voor ‘grote winkel met gevarieerd assortiment’ zijn allebei ontleend aan het Duits. Dit laat zien hoe groot de Duitse invloed in deze periode op de Nederlandse middenstand was.

Zelfbediening
Na de Tweede Wereldoorlog vond er opnieuw een revolutie plaats in het winkelwezen, dit keer onder Amerikaanse invloed: de ‘supermarkt’ met ‘zelfbediening’ deed zijn intrede. In 1948 wordt in België de eerste supermarkt geopend, en niet lang daarna volgt Nederland. De eerste jaren spreekt men ook over ‘zelfbedieningswinkel’, ‘help yourself-winkel’ en ‘kijkgrijp-winkel’, allemaal vertalingen van het Engelse self-service shop.
Rond 1966 werd het mode een exclusieve modezaak te tooien met de naam boutique of boetiek; het woord is ontleend aan het Frans, waar het een neutrale benaming is. Uiteindelijk gaat dit woord terug op het Grieks-Latijnse apotheca (‘bewaarplaats, magazijn’), waarvan ook ons woord apotheek is afgeleid.
Het Engelse woord voor winkel, shop, wordt rond 1970 in het Nederlands gebruikt in de samenstelling sexshop en coffeeshop. Het laatste woord kreeg in het Nederlands een betekenis die in het Engels onbekend is: ‘verkooppunt van softdrugs’. Het werkwoord shoppen wordt vanaf ongeveer 1990 gebruikt als modewoord voor ‘winkelen’, en kreeg daarnaast de typisch Nederlandse betekenis ‘bij verscheidene zaken, banken, zorgaanbieders e.d. langsgaan om het aanbod te vergelijken’.
De laatste mode op winkelgebied is die van het ‘webwinkelen’ in een ‘internetwinkel’ of ‘webshop’, waar bedrijven online hun producten aanbieden via ‘webmarketing’. De terminologie toont dat ook deze innovatie afkomstig is uit de Engelstalige wereld. Wel heet de internetpagina waarop alle geselecteerde artikelen worden weergegeven, nog steeds ‘winkelwagentje’.
[Hans Beelen & Nicoline van der Sijs (2014), ‘Winkelen en shoppen’, in: Onze Taal 11, 322]

Super

Superaardige bediening. Superlekker eten (wij namen de ossenstaart). Echt genoten.” “Super vakantie in prachtige B&B! (...) Voor ons was alles super.ˮ “De bedden zijn super superslecht.” Nederlandse en Belgische toeristen die op internet hun vakantie in Spanje beoordelen, vinden alles ‘super’. Waar komt dat woord vandaan, en sinds wanneer wordt het zo vaak gebruikt?
Super komt uit het Latijn, en betekent oorspronkelijk ‘boven’. In het Nederlands komen al sinds de dertiende eeuw Latijnse leenwoorden voor met super, bijvoorbeeld superscripsie (‘briefhoofd’). De chirurgijn Jan Yperman schreef in een medisch werk uit 1310: “Booterbrine es superlatijf jeghen joocte”: ‘Pekel is voortreffelijk tegen jeuk.’ Superlatief gebruiken we tegenwoordig vooral als taalkundige aanduiding in de betekenis ‘overtreffende trap’. Het woord is afgeleid van superlatus, letterlijk: ‘erboven geplaatst’. Super komt vaak voor als eerste deel in woorden die meestal in hun geheel zijn geleend uit een andere taal. Denk aan supervisie (‘toezicht van boven’), superintendent (letterlijk ‘oppertoezichthouder’) en supersonisch (‘sneller dan het geluid’). In de orgelbouw is de term voor een register dat een octaaf hoger ligt superoctaaf, en voor een register dat nóg een octaaf hoger ligt supersuperoctaaf.

Sopraan
Al die super-woorden zijn internationaal zeer verbreid. Dat geldt ook voor de psychologische term superego (‘geweten’). Deze is bedacht door de Amerikaanse psychoanalyticus en Sigmund Freud-vertaler James Strachey, als equivalent van het Duitse Über-Ich, dat in de jaren twintig was gemunt door Freud zelf. Ook Superman, de naam van de Amerikaanse stripheld met bovenmenselijke kracht, is oorspronkelijk een leenvertaling uit het Duits, in dit geval van Übermensch (‘persoonlijkheid die boven zijn medemensen staat’), een begrip dat teruggaat op de negentiende-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche.
De oude letterlijke betekenis ‘boven, erboven geplaatst’ is ook bewaard in sopraan (‘hoge zangstem’), dat via het Italiaans teruggaat op het Latijnse bijvoeglijk naamwoord superanus (‘hoogste’), dat op zijn beurt een afleiding is van super. Soeverein (‘vorst, hoogste gezagsdrager’) heeft dezelfde herkomst, maar in dit geval loopt de ontleningsweg via het Franse souverain (waarbij de p in een v is veranderd).
Al in de zeventiende eeuw wordt super gebruikt als versterkend voorvoegsel, in superfijn, een kwaliteitsaanduiding voor bijvoorbeeld het allerfijnste weefsel. In De nieuwe Haagse Nederlandse Courant van 9 mei 1800 worden te koop aangeboden: “fraaye super fyne gedrukte katoenen (...) super fyne neteldoeken”. De vorm en de betekenis zijn ontleend aan het Franse superfin.
Via superfijn krijgt super- de versterkende betekenis die we vinden in bijvoorbeeld supertanker (‘bijzonder grote tanker’) en superlijm (‘heel sterke lijm’). Super- wordt in de twintigste eeuw steeds meer gecombineerd met inheemse woorden, niet meer alleen met leenwoorden. Zo vormde de natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes in 1911 de samenstelling supergeleiding (‘zeer lage elektrische weerstand’). In dit rijtje horen ook de jongere woorden supercement en superbenzine (‘benzine met het hoogste octaangetal’), meestal afgekort tot super.

Super Deluxe
Rond 1950 wordt super in het Nederlands ook echt populair als positieve versterker: ‘buitengewoon, zeer’. Dit gebeurt onder invloed van het Amerikaans-Engels. In de jaren veertig had Ford het automodel Super Deluxe op de markt gebracht. Begin jaren vijftig werd in de krant geadverteerd voor spijkerloze schoenen van het merk Super Swift (“de ideale gift”). Na de introductie van de wasmachine rond 1950 maakte zeepfabrikant Drietex reclame voor een “super wasmiddel”. Sindsdien is alle kleding die in de wasmachine kan “superwasbaar”. In 1962 bracht Van Nelle de eerste vacuüm verpakte gemalen koffie op de markt, onder de naam Supra. Al in 1948 was de eerste zelfbedieningswinkel naar Amerikaans model geïntroduceerd onder de naam supermarkt. Vanaf dat moment werd er druk geadverteerd met ‘superkwaliteit’ en ‘supervoordelige prijzen’.
Zo kon het aloude Latijnse voorzetsel dat stond voor ‘boven’, de betekenis ‘fantastisch, prachtig, geweldig’ aannemen. Ook als uitroep is het woord populair geworden: super! Deze betekenis is ofwel aan het Engels ontleend ofwel ontstaan als verkorting van supergoed, superleuk en dergelijke. De enthousiaste kreet is de opvolger van mieters, tof en gaaf. Maar inmiddels is het plafond wel bereikt, want een gigantisch grote supermarkt wordt ook wel ‘hypermarkt’ genoemd, en een enorm grote olietanker is geen ‘supertanker’, maar een ‘mammoettanker’. Dat vinden wij megagoed.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Super’, in: Onze Taal 5, 26.]

Super

Superaardige bediening. Superlekker eten (wij namen de ossenstaart). Echt genoten.” “Super vakantie in prachtige B&B! (...) Voor ons was alles super.ˮ “De bedden zijn super superslecht.” Nederlandse en Belgische toeristen die op internet hun vakantie in Spanje beoordelen, vinden alles ‘super’. Waar komt dat woord vandaan, en sinds wanneer wordt het zo vaak gebruikt?
Super komt uit het Latijn, en betekent oorspronkelijk ‘boven’. In het Nederlands komen al sinds de dertiende eeuw Latijnse leenwoorden voor met super, bijvoorbeeld superscripsie (‘briefhoofd’). De chirurgijn Jan Yperman schreef in een medisch werk uit 1310: “Booterbrine es superlatijf jeghen joocte”: ‘Pekel is voortreffelijk tegen jeuk.’ Superlatief gebruiken we tegenwoordig vooral als taalkundige aanduiding in de betekenis ‘overtreffende trap’. Het woord is afgeleid van superlatus, letterlijk: ‘erboven geplaatst’. Super komt vaak voor als eerste deel in woorden die meestal in hun geheel zijn geleend uit een andere taal. Denk aan supervisie (‘toezicht van boven’), superintendent (letterlijk ‘oppertoezichthouder’) en supersonisch (‘sneller dan het geluid’). In de orgelbouw is de term voor een register dat een octaaf hoger ligt superoctaaf, en voor een register dat nóg een octaaf hoger ligt supersuperoctaaf.

Sopraan
Al die super-woorden zijn internationaal zeer verbreid. Dat geldt ook voor de psychologische term superego (‘geweten’). Deze is bedacht door de Amerikaanse psychoanalyticus en Sigmund Freud-vertaler James Strachey, als equivalent van het Duitse Über-Ich, dat in de jaren twintig was gemunt door Freud zelf. Ook Superman, de naam van de Amerikaanse stripheld met bovenmenselijke kracht, is oorspronkelijk een leenvertaling uit het Duits, in dit geval van Übermensch (‘persoonlijkheid die boven zijn medemensen staat’), een begrip dat teruggaat op de negentiende-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche.
De oude letterlijke betekenis ‘boven, erboven geplaatst’ is ook bewaard in sopraan (‘hoge zangstem’), dat via het Italiaans teruggaat op het Latijnse bijvoeglijk naamwoord superanus (‘hoogste’), dat op zijn beurt een afleiding is van super. Soeverein (‘vorst, hoogste gezagsdrager’) heeft dezelfde herkomst, maar in dit geval loopt de ontleningsweg via het Franse souverain (waarbij de p in een v is veranderd).
Al in de zeventiende eeuw wordt super gebruikt als versterkend voorvoegsel, in superfijn, een kwaliteitsaanduiding voor bijvoorbeeld het allerfijnste weefsel. In De nieuwe Haagse Nederlandse Courant van 9 mei 1800 worden te koop aangeboden: “fraaye super fyne gedrukte katoenen (...) super fyne neteldoeken”. De vorm en de betekenis zijn ontleend aan het Franse superfin.
Via superfijn krijgt super- de versterkende betekenis die we vinden in bijvoorbeeld supertanker (‘bijzonder grote tanker’) en superlijm (‘heel sterke lijm’). Super- wordt in de twintigste eeuw steeds meer gecombineerd met inheemse woorden, niet meer alleen met leenwoorden. Zo vormde de natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes in 1911 de samenstelling supergeleiding (‘zeer lage elektrische weerstand’). In dit rijtje horen ook de jongere woorden supercement en superbenzine (‘benzine met het hoogste octaangetal’), meestal afgekort tot super.

Super Deluxe
Rond 1950 wordt super in het Nederlands ook echt populair als positieve versterker: ‘buitengewoon, zeer’. Dit gebeurt onder invloed van het Amerikaans-Engels. In de jaren veertig had Ford het automodel Super Deluxe op de markt gebracht. Begin jaren vijftig werd in de krant geadverteerd voor spijkerloze schoenen van het merk Super Swift (“de ideale gift”). Na de introductie van de wasmachine rond 1950 maakte zeepfabrikant Drietex reclame voor een “super wasmiddel”. Sindsdien is alle kleding die in de wasmachine kan “superwasbaar”. In 1962 bracht Van Nelle de eerste vacuüm verpakte gemalen koffie op de markt, onder de naam Supra. Al in 1948 was de eerste zelfbedieningswinkel naar Amerikaans model geïntroduceerd onder de naam supermarkt. Vanaf dat moment werd er druk geadverteerd met ‘superkwaliteit’ en ‘supervoordelige prijzen’.
Zo kon het aloude Latijnse voorzetsel dat stond voor ‘boven’, de betekenis ‘fantastisch, prachtig, geweldig’ aannemen. Ook als uitroep is het woord populair geworden: super! Deze betekenis is ofwel aan het Engels ontleend ofwel ontstaan als verkorting van supergoed, superleuk en dergelijke. De enthousiaste kreet is de opvolger van mieters, tof en gaaf. Maar inmiddels is het plafond wel bereikt, want een gigantisch grote supermarkt wordt ook wel ‘hypermarkt’ genoemd, en een enorm grote olietanker is geen ‘supertanker’, maar een ‘mammoettanker’. Dat vinden wij megagoed.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Super’, in: Onze Taal 5, 26.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

supermarkt zn. ‘grote zelfbedieningszaak’
Nnl. supermarkt ‘zelfbedieningszaak, hoofdzakelijk in levensmiddelen’ in nieuwe begrippen ... bijv. supermarkt = zelfbedieningswinkel [1948; De Vooys 1948], slagers en supermarkten verkopen hier tevens belegde broodjes [1955; Archief Eemland].
Leenvertaling van Amerikaans-Engels supermarket ‘zelfbedieningszaak’ [1933; OED], letterlijk ‘superieure markt, betere verkoopplaats’, gevormd uit het voorvoegsel super- ‘beter, hoger’, zie → super(-), en market ‘markt, verkoopplaats’, zie → markt.
De Engelse vorm is ook enige tijd in gebruik geweest, zoals in een garage, een frietenkraam of een supermarket [1966; WNT Aanv. friet].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

supermarkt [zaak voor zelfbediening] {1963} < engels supermarket (VS 1938), gevormd van super (vgl. super-) + market (vgl. markt).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

supermark s.nw.
Groot selfbedieningswinkel met 'n wye verskeidenheid ware.
Uit Eng. supermarket (1933), met vertaling van die tweede lid deur Afr. mark.
D. Supermarkt, Fr. supermarché, Ndl. supermarkt (1963).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

supermarkt (Engels supermarket)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

supermarkt [zelfbedieningszaak met (hoofdzakelijk) levensmiddelen] (1948). In 1948 opent de eerste zelfbedieningswinkel in Nederland zijn deuren, naar Amerikaans voorbeeld. De woorden supermarkt en zelfbedieningswinkel als vertaling van self-service shop worden geïntroduceerd.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

supermarkt winkel met zelfbediening 1948 [De Vooys] <Engels

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Supermarket (1958) zelfbedieningswinkel* met zeer ruim assortiment, zij het veelal beperkt tot consumptieartikelen. Sluitstuk op het proces van ‘branchevervaging’. Supermar(k)t (1966) zelfbedieningswinkel met zeer ruim assortiment gebruiksartikelen, oorspronkelijk voornamelijk kruideniersartikelen, tegenwoordig artikelen van allerlei aaip.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut