Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sukkel - (onhandig persoon)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sukkel znw. Noch in de bet. “sukkelaar” noch in de bet. “gesukkel” bij Kil. of mnl.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

sukkel: onhandig iemand. Van oorsprong een Fries woord. Een denkbeeldige plaats is Sukkeldam: zo’n oord waar nooit iets gebeurt. Andere scheldwoorden die wijzen op maatschappelijke mislukking zijn bijvoorbeeld: aggenebbisjfiguur*; armoezaaier*; prutser*.

Reis ik helemaal naar Breda en is me die sukkel van een Stoep naar Keulen of all places … (Simon Carmiggelt, We leven nog, ongedateerd)
En wat heb ik vannacht slecht op u gepast, hè moeder? ’k Ben een groote sukkel! (Anne de Vries, Evert in turfland, 1930)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut