Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

suiker - (zoete stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

suiker zn. ‘zoete stof’
Mnl. suker ‘rietsuiker’ in Suker ende muskaten. cedeware. ende rute. saltu eten ‘suiker en muskaat, wilde gember en wijnruit moet je eten’ [1253; VMNW], suycker ‘id.’ [1477; Teuth.]; vnnl. suicker ‘id.’ in Niemant en sal vermogen arack te branden van vuyle suickeren ‘niemand zal arak kunnen stoken uit vuile suiker’ [1642; WNT]; nnl. suiker ‘id.’ in De Suiker is ten allen tijden voor een zeer gezond middel gehouden, ... een balzemend middel in rhumatike gevallen [1793; WNT].
Ontleend aan Oudfrans sucre ‘zoet medicijn’ [eind 13e e; TLF], eerder çucre en zucre [beide ca. 1180; TLF], zelf ontleend aan Italiaans zucchero ‘rietsuiker’ [1305-06; DELI], ouder zuccoro [1286; DELI], een ontlening via de Italiaanse havens aan Arabisch sukkar ‘id.’, dat (misschien via het Perzisch) ontleend is aan Middelindisch śakkarā, śakkharā ‘korrel(suiker)’, eerder Sanskrit śarkarā.
In de 1e eeuw na Chr. is ook Grieks sákkhar(on) en daaruit Latijn sacc(h)aron (later saccharum) aan het Middelindische śakkharā ontleend. Dat kan nog geen “echte” suiker geweest zijn, omdat het winnen van suiker uit suikerriet in Noord-India wrsch. pas in de 3e eeuw na Chr. bekend werd. Daarvóór moet het Indische (en dus ook het Griekse en Latijnse) woord betrekking hebben gehad op een soort uitscheiding van bamboeriet of op manna van de pluimes (Unger). Op het Latijnse woord is Frans bn. saccharin ‘betreffende suiker’ [1573; TLF] gebaseerd, waarvan zn. saccharine ‘zoetstof’ [1868; TLF] is afgeleid. Dat heeft het Nederlands ontleend als saccharine [1888; WNT], later sacharine.
Rond 600 na Chr. beheersten ook de Perzen de techniek van het suiker winnen. Enkele decennia later leerden de islamitische Arabieren tijdens hun expansie suikerriet en suiker kennen. Zij verbreidden de teelt van suikerriet naar Egypte en in de 8e eeuw naar Andalusië, waar vormen als azúcar (dus inclusief het Arabische lidwoord) ontstonden, en vervolgens naar Sicilië (Siciliaans zúccaru); vandaar kwam het in het Italiaans terecht. Pas sinds de tweede helft van de 18e eeuw is het winnen van suiker uit suikerbieten bekend.
Lange tijd werd suiker voornamelijk in de geneeskunde gebruikt, als medicijn of als middel om geneeskrachtige kruiden te binden tot een → siroop.
Lit.: A. Unger (2006), Von Algebra bis Zucker, Arabische Wörter im Deutschen, Stuttgart

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

suiker [zoetstof] {su(y)cker 1253} < frans sucre [idem] < italiaans zucchero [idem], middeleeuws latijn zucarum, zucara, sucaris < arabisch sukkar < perzisch shekar < middelindisch śakara, sakkharā < oudindisch śarkarā [grind, suiker]; het werd overgenomen in het gr. als sakcharon > latijn saccharum, waarvan sacharine is gevormd. Het gebruik van suiker bleef in de Oudheid beperkt, maar in de Middeleeuwen werd veel uit de Arabische wereld geïmporteerd, waarbij het woord in Europa opnieuw werd ontleend. Het spaans azucar is uit het ar. overgenomen mét het lidwoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

suiker znw. m., mnl. sûker, evenals me. sucre, sugre (ne. sugar), fra. sucre, ital. zucchero (> nhd. zucker) over spa. azucar < arab. sukkar. Dit woord is ontleend aan perz. säkär < prakrit. sakkara < oi. śárkarā ‘korrelsuiker’. — Uit het perz. woord is ook ontleend gr. sákcharon > lat. saccharum (waarvan saccharine). Zie Lokotsch Nr. 1855.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

suiker znw., mnl. sûker (m.?), Teuth. suycker. Evenals meng. sucre, sugre (eng. sugar) “suiker” uit fr. sucre = it. succhero (> ohd. zucura v., mhd. nhd. zucker, mnd. sucker m. > de. sukker, zw. socker), spa. azúcar “id.”. Het rom. woord uit arab. (as)sukkar “id.”, dat via perz. šakar op pâli sakkharâ- = oi. çárkarâ- “kiezel, fijn zand, suiker” teruggaat. Ook zonder bemiddeling van ’t Arab. drong de perz. vorm in Europa door: gr. sakkhar(on), lat. saccharum, russ. sáchar “suiker”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

suiker. Ouder-nnl. en nnl. dial. veelal onz.; daarom ook mnl. sûker eerder o. dan m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

suiker v., gelijk Hgd. zucker, Eng. sugar, Fr. sucre, uit Mlat. succarum, van Ar. sukkar, van Perz. šakar, waaruit ook Gr. sákkharon en Lat. saccharum. Het Perz. šakar komt uit het Skr. çarkarā.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sókker (zn.) suiker; Vreugmiddelnederlands suker <1253> < Frans sucre.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wit, (ook:) 1. naar verhouding licht van huidskleur, als gezegd van Creolen*, i.h.b. kinderen, met deze eigenschappen. Met de dokterskinderen speel ik niet. Het zijn evenals die van de gevangenisdirekteur, witte Creolen* (Ferrier 1968: 20). Dat witte kind van mij. - 2. ongekleurd, doorzichtig, helder (glas e.d.), Ik zag een prachtig betegeld zwembad met helder wit water (Vianen 1971: 55). Ik wil witte glazen in die bril.
: zie witte abia*.
—: witte bioscoop’ (de), (hist., omstreeks 1924) vertoning van opvoedkundige films. Een groep die onder invloed van de missie stond, begon toen met speciale voorstellingen van zgn. opvoedkundige films. Deze bioscoop, die al gauw de naam kreeg van ’witte bioscoop’, was geen lang leven beschoren () (Enc.Sur. 71). - Etym.: ’Wit’ zou hier kunnen staan in tegenstelling tot de inhoud van de gangbare films, die dan blijkbaar als ’zwart’ werd ervaren.
— : zie witte bolletrie*, bosgoejave*, cedor*, Chinese* poeder, fajalobi*, foengoe*, kabbes* (II).
—: witte kaneel’ (de), witte tot lichtgele pijpkaneel, die afkomstig is van een uitheemse boom (Canella alba, fam. Canellaceae). Bij zenuwaandoeningen wordt aan het aftreksel [van S blakatiki-menti] een stukje valeriaanwortel en wat witte kaneel toegevoegd (May 13). - Etym.: Zie de omschrijving; echte pijpkaneel is bruin en komt van de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum, Advocaatfamilie*). - Zie ook: rooskaneel*
— : wit(te) krapa*, lokus*, openkap*, panta*, parelhout*, pier*, pisi* (cit.), pritjari*, riemhout*, sabakoe*, sali*, sangrafoe*, savannegoejave*.
— : witte suiker (de), geraffineerde (dus witte) rietsuiker voor dagelijks gebruik. Zegels, Port’* Armes, paspoorten, rij- en voertuigenbelasting, water, electriciteit, grondbelasting, veertarieven, witte suiker, spijsolie* enz. zijn allemaal met 50 of meer procent omhoog gegaan (WS 18-12-1982). - Etym.: De toevoeging ’wit’ is nodig ter onderscheiding van ’bruine* suiker’ die ook dagelijks gebruikt wordt. SN w. s. is fijner dan AN ’suiker’ (gewone), d.i. een geraffineerde (witte) bietsuiker in grove kristalvorm. - Syn. broodsuker*.
— : zie wit(te)tajer*, tamarinde*, voetje*, Wanica*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

suiker I: gekristalliseerde soet sap uit beet, palm, riet; Ndl. suiker (Mnl. suker), Hd. zucker, Eng. sugar, uit Fr. sucre, vgl. It. zucchero (Port. açucar en Sp. azucar, met a- uit Arab. lw. al-), uit Arab. sukkar uit Pers. shakar (Pa. sakkhara, Pra. sakkara, Skt. çarkara/sharkara); regstreeks uit Pers. kom Gr. sakχaron, Lat. saccharum en hieruit ten slotte Eng. saccharin(e), Afr. saggarien/sakkarien.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

suiker (Frans sucre)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Suiker
De Romeinen hadden saccharum (Perz. sjakar, (شكر), maar de vokalen in de Europeesche talen bewijzen, dat de Europeanen het woord in de Middeleeuwen, even als datgene wat het aanduidt, van de Arabieren ontvangen hebben, die het soekkar uitspreken. Nog met het Arab. lidwoord Sp. azucar, Port. açucar; zonder het lidwoord Ital. zucchero, Fr. sucre, oud-Hoogd. zucura, nieuw Zucker, Eng. sugar enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

suiker ‘zoetstof; diabetes’ ->? Duits dialect Sseuker ‘zoetstof’; Deens sukker ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sukker ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds socker ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins sokeri ‘zoetstof’ ; Ewe súklì ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Deens); Gã sikle, sukle ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Deens); Twi asíkré ‘zoetstof’ (uit Nederlands of Deens); Noord-Sotho swikiri ‘zoetstof; diabetes’ ; Tswana sukiri ‘zoetstof; diabetes’ ; Xhosa swekile ‘zoetstof; diabetes’ ; Zoeloe shukela ‘zoetstof; diabetes’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho tswekere ‘zoetstof; diabetes’ ; Petjoh suikertje ‘snoepje van suikergoed’; Creools-Portugees (Batavia) sucker ‘zoetstof’; Creools-Portugees (Malakka) súkri ‘zoetstof’; Singalees sūkiri ‘kandijsuiker’; Munsee-Delaware šó:kal ‘zoetstof’; Unami-Delaware šó:k:ǝl ‘zoetstof’; Negerhollands sukker, schukker, suku ‘zoetstof, suikerriet’; Berbice-Nederlands sikri ‘zoetstof’; Skepi-Nederlands sukuru ‘zoetstof’; Papiaments panseiku ‘suikergoed bereid met o.a. bruine suiker en pinda's’; Sranantongo suiker ‘diabetes’; Sranantongo sukru ‘zoetstof’; Aucaans soekoeoe ‘zoetstof’; Saramakkaans súki ‘zoetstof’; Arowaks shikarho ‘suikerriet’ ; Karaïbisch sukuru ‘zoetstof’ ; Karaïbisch sukulu ‘zoetstof’ ; Sarnami sukru ‘zoetstof’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † suku, sukut ‘zoetstof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

suiker zoetstof 1253 [CG II1 Gezondh.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut