Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

suède - (fijn leer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

suède zn. ‘fijn leer’
Nnl. peau de suède ‘suède’ in Heur handen waren ijzig en klam in het strakke schoeisel van Peau de Suède [1889; iWNT schoeisel], de lange peau de Suède handschoenen [1915; Gids], Peau-de-Suède is glacé of kalfschroomleder, doch aan de vleeschzijde geglansd en afgewerkt [1921; Oosthoek leder], als simplex in Suède, nappa, zijden en tricot handschoenen [1941; iWNT nappa II].
Ontleend aan Frans peau de suède, met als oudste attestatie des gants longs en peau de Suède ‘lange handschoenen van suède’ [1837; Journal des demoiselles] en eerder al gants de Suède [1833; Celnart]. Het ging aanvankelijk vooral om handschoenen, gemaakt van lamsleer, waarbij de vleeszijde zichtbaar is, die volgens Daumont (1834) in enkele Deense en Zweedse steden in groten getale werden geproduceerd en in heel Europa geliefd waren. Ook het Duits heeft al attestaties van schwedisches leder en Schwedischleder ‘leersoort voor handschoenen (wrsch. suède)’ uit de eerste helft van de 19e eeuw; deze zijn tegenwoordig ongewoon, evenals de synoniemen dänisches Leder en Dänischleder.
In het Frans raakte de benaming (peau de) suède in de 20e eeuw verouderd (maar nog wel de afleiding suédine ‘imitatiesuède’) door de concurrentie met het synoniem daim. In het Nederlands en het Engels was het woord toen al ontleend en ingeburgerd en al gauw verkort tot een simplex suède (in het Engels meestal suede zonder accent).
Lit.: E. Celnart (1833), Manuel des dames, Paris, 67; A. Daumont (1834), Voyage en Suède, Paris, 57; Journal des demoiselles 5 (1837), 192

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

suède [fijn leer] {1921} < frans suède, verkort uit peau de suède [lett.: vel van Zweden], van peau [huid, vel] + la Suède [Zweden].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

suède s.nw.
Fyn leer wat o.a. vir handskoene gebruik word.
Uit Eng. suède (1884) of Ndl. suède (1921).
Eng. suède en Ndl. suède uit Fr. suède, 'n verkorting van peau de suède (1884) 'Sweedse leer' of gants de suède (1840) 'Sweedse handskoene'.
Vgl. Sp. piel de Suecia.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

suède (1921, uit het Frans) fluweelachtig leer

Suède is een verkorting van peau de suède, ofwel ‘huid uit Zweden’. Hoewel iedereen allang suède zegt, verwijst de Grote Van Dale nog steeds naar peau de suède, waar je kunt lezen dat suède fijn leer is waarvan de vleeszijde wordt geslepen, waardoor het aanvoelt als fluweel. Er worden met chroomzout gelooide vellen van kalveren, geiten of schapen voor gebruikt en het is een van de moeilijkst te maken leersoorten.
Peau de suède is een Franse uitvinding uit het begin van de 19de eeuw. De Fransen gebruikten het leer aanvankelijk alleen voor het maken van handschoenen, gants de suède. Door de opkomst van daim of herteleer raakte het Zweedse in onbruik. De Engelsen hadden het woord suède echter al omstreeks 1850 uit het Frans geleend. Toen het leer later opnieuw in de mode kwam, leenden de Fransen het woord volgens Rey (1994) weer terug, wat suède voor het Frans tot een anglicisme maakt.
Het duurde opmerkelijk lang voordat Nederlandse woordenboeken een plaatsje inruimden voor suède. Kramers maakte sinds 1886 melding van onder andere peau d'Espagne ‘Spaans leer’ en peau de diable ‘Engels leer’, maar voor zover bekend was de Oosthoek-encyclopedie in 1921 de eerste die peau de suède vermeldde. Toch was het woord toen waarschijnlijk al algemeen bekend. Vosmaer sprak in 1923 in ieder geval van ‘het bekende peau de Suède’.
Sinds de jaren dertig heeft suède in het Engels de figuurlijke betekenis ‘iets dat valse chic uitstraalt’. Een suède schoen met crêpe-zool wordt daar brothel-creeper genoemd. Wij kennen dit als bordeelschuiver of bordeelsluiper.

Engels suede, suède (1859); Frans suède (1840).

Vergelijk Zweeds wittebrood

Kramers Kunstwoordentolk (18864) 914; Oosthoek ency.1 7 (1921) 639; Vosmaer Enc. materialen (z.j. [1923]) 437; Winkler Prins6 12 (1951) 604 (leder); O’Hara Mode ency. (1989) 207; OED (19932); Rey Dict. hist. langue franç. (19942) 2039.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

suède fijn leer 1921 [Sanders 1995] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal