Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

subiet - (direct; ineens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

subiet bn. ‘direct; ineens’
Mnl. in de afleiding (met → -lijk) subitelike ‘plotseling, snel’ in subitelick van der haestighe doot verbeten ‘plotseling door de snelle dood vernietigd’ [ca. 1410; MNW verbiten], subitelic ende met haeste [1488; MNW subitelike]; vnnl. subijt, subiet ‘snel, spoedig’ in Dat de heel weerelt subijt zou vergaen [1521; WNT regenboog I], ‘onmiddellijk, dadelijk’ in zonden subbijt haer serjanten ‘zonden onmiddellijk hun gewapende dienaren’ [1566; WNT], ‘plotseling’ in verdwenen zo subijt, dat men niet en wist ... [1599; WNT].
Ontleend aan Frans subit ‘snel, plotseling’ [1155; TLF], dat zelf is ontleend aan Latijn subitus ‘plotseling, onvoorzien’; dat is het verl.deelw. van subīre ‘zich voordoen’, gevormd uit → sub- ‘onder, bij, naast’ en īre ‘gaan’, zie → circuit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

subiet [direct, ineens] {subijt 1488} < frans subit [idem] < latijn subitus [plotseling opkomend], van subire (verl. deelw. subitum) [binnengaan, naderen, te binnen schieten], van sub [van onder] + ire [gaan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

subiet bnw. laat-mnl. subijt < lat. subitus of < fra. subit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

subiet bnw. Kil. subijt, laat-mnl. al ’t bijw. subitelic “subiet, vlug”. Uit lat. subitus, bijw. subito of uit fr. subit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

subiet (bijw.) dadelijk; Middelnederlands subit <1488> < Frans subit.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

subiet (Frans subit)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

subiet ‘bijwoord van tijd: direct, ineens’ -> Sranantongo subiet ‘bijwoord van tijd: direct, ineens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

subiet bijwoord van tijd: direct, ineens 1488 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut