Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuwen - (voortduwen; een stroom belemmeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stuwen ww. ‘voortduwen; een stroom belemmeren’
Mnl. stouwen ‘opjutten, tergen’ in Som cnecht ... gingen die ander s[t]ouwen ‘Enkele knechten gingen de anderen tergen’ [1315-35; MNW] en ‘water tegenhouden’ in schutten als men water stouwet ‘schutten, als men water tegenhoudt’ [1477; Teuth.]; vnnl. voorts stuwen ‘voortdrijven’ [1573; Thes.], ‘bergen, opstapelen’ in oudt bier uytscepen, ende jonck bier daer booven upleggen ofte stuwen ‘oud bier ontschepen en jong bier daar bovenop leggen of stapelen’ [1500-36; MNW].
Mnd. stouwen, stowen ‘een stroom belemmeren; waren vast opstapelen’ (waaruit nhd. stauen ‘id.’ en nzw. stuva ‘stouwen’); ohd. stouwōn, stouwen, stūēn ‘aanklagen; een halt toeroepen’ (mhd. stouwen); nfri. stowe; oe. stōwian ‘tegenhouden’ (ne. stow ‘stouwen’); got. stōjan ‘beoordelen’; < pgm. *stō(w)ōn-/*stō(w)ijan-, waarvan de betekenis te herleiden is tot ‘iets op zijn plaats houden of tot staan brengen’.
Verwant met Litouws stovė́ti ‘staan’, stovà ‘plaats’; Oudkerkslavisch staviti ‘plaatsen’, stavu ‘stand’; < pie. *steh2u-, een worteluitbreiding van *steh2- ‘staan’. Een afleiding van dezelfde wortel met nasaal achtervoegsel en soortgelijke betekenis is → steunen.
Stuwen vormt met → stouwen en → stoeien een trits van dialectische nevenvormen, waarvan stuwen de Vlaamse vorm is. Deze heeft zich ten koste van de andere verbreid en is wat betreft de hoofdbetekenissen tot de algemene schrijftaalvorm geworden. Aspecten hiervan zijn ‘tegenhouden’ en ‘oprichten, samenduwen’.
Lit.: K. Heeroma (1946), De ou-diftongering in het Nederlands, in TNTL 64, 121-141, hier 127; Schönfeld 1970; par. 54, opm. 3

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stuwen* [voortduwen, stroom tegenhouden] {1348 als ‘voortduwen, stuiten’} behoort stellig bij stouwen, hoewel de verhouding tussen de vormen niet geheel doorzichtig is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stouwen ww., mnl. stouwen “jagen, verdrijven, opstoken, sarren, optassen”; ospr. bet. wsch. “drukken, duwen”: nog nnl. dial. = “drijven” (trans.). = Teuth. stouwen “bedwingen (volgens Kil. een fri. bet.), (water) tegenhouden”, mnd. stouwen, stowen “id., opgestuwd worden”, ags. stôwian “tegenhouden” (eng. to stow “stouwen”). De ags. vorm wijst er op, dat stouwen niet (zooals men zou kunnen meenen, als men ’t ndl. woord op-zich-zelf beschouwt) een dial. vorm is van ’t synonieme stuwen, niet bij Kil., wel al mnl., mnd. stûwen. De beide vormen kunnen tot elkaar in ablaut staan; of is stûwen secundair? Stouwen kan = ohd., mhd. stouwen “klagen over, aanklagen, uitschelden, scheldend bevelen” (: nhd. stauen “stuwen” uit het Ndd.), got. stojan (praet. stauida) “oordeelen” of blijkens den ags. vorm veeleer = ohd. stouwôn (in bet. = ohd. stouwen) zijn. De afwijkende bett. en ook de vormen (germ. *stôwjanan, wgerm. *stôwôn) zijn ’t best te begrijpen, als we de beide ww. voor afll. van ’t znw. *stôwô- “stand” houden, waarop ohd. stua- in stuatago m. “gerechtsdag”, ofri. stô, ags. stôw, on. stô (in eld-stô) v. “plaats”, got. staua v. “gerecht” (oorspr. “gerechtsplaats”) teruggaan. Germ. *stôwô- > idg. *st(h)â-wâ-, het v. van *st(h)â-wo-; dit is een afgeleid nomen van de basis st(h)â- (zie staan); buiten ’t Germ. vgl. gr. stoá “zuilengalerij” (v. van *stōwos), obg. sŭ-stavŭsústēma”, staviti “stellen”, lit. stovà “plaats”, stovëti “staan”. Deze woorden zijn wsch. niet direct met idg. st(h)ū̆- (zie stuurs) te combineeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuwen o.w. (opeenpakken), Mnl., Mndd. stuwen, abl. bij stouwen, Mnl. id. + Mndd, Mhd. stouwen, Eng. to stow = in zijn plaats dringen: afleid. van Ohd. stua, Ags. stów, Ofri., On. stó = plaats, Go. staua = gerecht, afleid. van wrt. sta: z. staan. Hgd. stauen, Zw. stufva, De. stuve uit Ndd. stuwen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stuwen, van den Idg. wt. stu (met staan en steunen verwant): stijf worden, tot staan brengen (zie Sturen); stuwen bet. dus: tot stilstand komen; het afstroomende rivierwater wordt door den vloed opgestuwd; een stuw in een beek. Hieruit ontstond de bet.: opeenhoopen van water, later als scheepsterm ook opeenstapelen: stuwen of stouwen; het pakgoed stouwen = in ’t ruim opstapelen; de werking heet stuwage en de man, die de werkkrachten er voor levert: stuwadoor. – Stuwen van ’t water is ook synoniem met opdringen, samenpakken; vandaar fig. de volksmenigte werd voortgestuwd = opgedrongen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stuwen* voortduwen, stroom tegenhouden 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut