Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuur - (voorwerp waarmee men de richting bepaalt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stuur zn. ‘voorwerp waarmee men de richting bepaalt’
Mnl. stier(e) ‘roer, stuurinrichting van een schip’ in in den scepe waren Joncfrouwen II ende cnapen viere Sonder die waren ten stiere ‘in het schip waren twee jonkvrouwen en vier jongemannen, buiten degenen die het roer bedienden’ [1340-60; MNW-R], Een scipman ..., Die met eenen zeele groot Andie stiere sat gebonden ‘een stuurman die met een stevig touw aan het roer zat vastgebonden’ [1300-25; MNW-R], stuur, overdrachtelijk in dattet scheen of hy nouwe stuer en konde holden ‘dat het leek of hij zich nauwelijks in de hand kon houden’ [ca. 1480; MNW].
Os. stiur- (mnd. stür(e), waaruit nhd. Steuer ‘roer’); mhd. stiur; ofri. stiūre, -stiōr (nfri. stjoer); oe. stēor- (me. stēre); on. stýri (nzw. styre); alle ‘stuur, roer’, < pgm. *steurija- (o.). Daarnaast staan:
Pgm. *steurijō- (v.), waaruit: os. -stiuria ‘belasting’ (mnd. stür(e) ‘steun, bijdrage’); ohd. stiura ‘bijdrage; belasting; steun; staf’ (nhd. Steuer ‘belasting, heffing’).
Pgm. *steurō- (v.), waaruit: oe. stēor ‘het sturen; richtlijn; straf’ (ne. vero. steer ‘het sturen; richtlijn; roer’).
Verder met n-achtervoegsel pgm. *steurnō-, waaruit: ofri. stiārne, stiōrne ‘roer’; on. stiōrn ‘roer; bestuur’ (waaruit ne. stern ‘achtersteven’).
Een andere ablautstrap heeft on. staurr ‘staak’ (nzw. stör) < pgm. *staura-.
Pgm. *steur-, *staur- is verwant met: Latijn restaurāre ‘herstellen’ (< ‘weer oprichten’); Grieks staurós ‘staak’; Sanskrit sthávira- ‘breed, dik, stevig, oud’; < pie. *steuh2-ro- (met metathese), *steh2u-ro- ‘massief, groot, grof e.d.’. Bij de nultrap *stuh2-ro- is → stuurs ontstaan. Afgeleid van de wortel *steh2u- ‘massief, vast, dik, breed’, die een uitbreiding is van de grondvorm *steh2-, waarvoor zie → staan.
De uitgangsbetekenis in het Germaans is ‘staak, stok’. In de afzonderlijke talen is deze betekenis verbijzonderd tot enerzijds ‘stuurriem’ bij de woorden met een onzijdige uitgang, anderzijds ‘steun, bijdrage’ bij de woorden met een vrouwelijke uitgang. Deze betekenisveranderingen zijn wrsch. ontstaan onder invloed van het afgeleide werkwoord → sturen, dat zowel ‘de richting bepalen met behulp van een staak’ als ‘leunen op een staak’ betekent. De betekenis ‘stuurmiddel’ heeft zich door ontwikkelingen in de scheepsbouw uitgebreid tot voorzieningen als de helmstok van een roer en het stuurrad, en vandaar tot stuurmiddel van voertuigen. Anderzijds is de betekenis ‘steun’ verder verbijzonderd tot ‘bijdrage aan de landsheer voor diens bestuur’ en vandaar tot ‘verplichte, regelmatige betaling aan de overheid’. Dit laatste betekenisveld van stuur is in de 18e eeuw nagenoeg uit de Nederlandse schrijftaal verdwenen, maar heeft in het Duits tot de algemene betekenis van Steuer ‘belasting’ geleid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuur znw. o., mnl. stuur, stier(e) o., stiere v. ‘stuur, roer’, mnd. stūr(e), o. v. ‘roer, stuur, verhindering, hulp, bijdrage in geld, belasting’ (vgl. os. heri-stiuria ‘soldij’), ohd. stiura v. ‘steun, stut, roer, achtersteven, bijdrage, belasting’ (nhd. steuer v., maar steuer o. ‘stuur’ uit het nd.), ofri. stiūre v. ‘stuur, roer’, oe. stēor v. ‘het sturen, besturen, straf’, on. styri o. ‘stuur, roer’; vgl. nog on. stiōrn v. ‘stuur, bestuur’ en os. stiōrwith v. ‘stuurriem’, ofri. stiārne v. ‘roer’. — Zie verder: stuurs en stoer. — > russ. štur ‘stuurrad’ (sedert 18de eeuw, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 95).

De zeer uiteenlopende betekenissen tracht men te verklaren uit ‘vastmaken’ > ‘vaststellen’ > ‘besturen’ en neemt dan aan dat de bet. ‘stuur, roer’ eerst uit het ww. zou zijn af te leiden. Maar wij kunnen van deze woorden niet scheiden on. staurr m. ‘stang’ en ohd. stiura ‘paal, stut’ en het verband verder met de onder stuurs genoemde idg. woorden, doet vermoeden, dat wij wel degelijk van een begrip ‘stang, stok’ zullen moeten uitgaan, waaruit dat van ‘stuur, roer’ (oorspr. de brede riem aan de zijkant van het scheepsboord) van zelf volgt. Voor de ontwikkeling van de abstracte betekenis van ‘bestuur, belasting’ kan men dan met J. Trier Studium Generale 1, 1947, 105-106 aan de door hem meermalen aangetoonde begripsvorming in woorden van het oude bosbedrijf aanknopen: ‘omheining’ > ‘omheinde ruimte, dingplaats’ > ‘daar plaatshebbende handelingen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sturen, stieren ww., de laatste vorm oorspr. vla. zeeuwsch (vgl. dierbaar), mnl. stûren, stieren “sturen, richten, besturen, zenden, brengen”. = ohd. stiuren, stiurren “steunen, richten, besturen” (nhd. steuern), mnd. stûren “sturen, besturen, zenden, in bedwang houden, tegengaan”, ofri. stiôra, stiûra “sturen, in bedwang houden”, ags. stîeran “id., berispen, straffen” (eng. to steer), on. stŷra “sturen, besturen, richten”, got. stiurjan “vaststellen, beweren”. Hierbij de znww. nnl. stuur o., mnl. stuur, stier(e) (o.?), stiere v. “roer, stuur”, mnd. stûr(e) o.v. “roer, stuur, het verhinderen, hulp, bijdrage in geld, belasting” (in dgl. bet. al in os. heri-stiuria v. “soldij”), ohd. stiura v. “steun, stut, roer, achtersteven, bijdrage, belasting” (nhd. steuer v.; steuer o. “roer” uit ’t Ndd.), ofri. stiûre v. “stuur, roer”, ags. stêor v. “het sturen, besturen, leering, straf”, on. stŷri o. “roer, stuur”. Een umlautlooze vorm zooals ’t Ags. kent is elders slechts in samenst. bewaard, zooals ohd. stierbrucca v. “puppis”, os. stiorwith v. “riem aan ’t stuur”; verder in ofri. stiârne v. “roer”, on. stjôrn v. “id., bestuur”. Wij moeten wsch. de bet. “sturen” uit “besturen < regelen < vaststellen < vastmaken” afleiden en aannemen, dat de znww. met de bet. “roer, stuur” deze eerst onder invloed van het ww. gekregen hebben. In ieder geval hooren de geciteerde woorden bij elkaar en hebben ze een element germ. steur- gemeen, waarvoor we als bet. “steunen” resp. “stevig zijn” moeten aannemen. Hierbij nog het bnw. *steuria- “stevig”, ohd. stiuri “groot(sch), prachtig, machtig”, got. *us-stiurs “teugelloos” (usstiuriba bijw., usstiurei znw. v.). Zie verder bij ’t verwante stuurs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuur bijv.(stuursch), Mnl. sture (= geweldig, sterk) + Ohd. stûri, Ndd., No. stur, van denz. wortel als sturen z. ook stier.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stuur, stier ‘voorwerp dat iets stuurt’ -> Duits Steuer ‘stuurinrichtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Oost-Jiddisch sjtoer ‘voorwerp dat iets stuurt’ ; Deens styr ‘stuur van bromfiets, motorfiets of gewone fiets’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors styre ‘handgreep om mee te sturen; macht, leiding, bestuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gå över styr ‘over de kop gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Bretons stur ‘roer, richting’; Pools ster ‘voorwerp dat iets stuurt (wagens, schepen)’ ; Russisch štur, šturvál ‘roer’; Oekraïens šturval ‘roer’ ; Indonesisch setir, stir ‘voorwerp dat iets stuurt’; Balinees setir ‘voorwerp dat iets stuurt’; Jakartaans-Maleis setèr, setir ‘voorwerp dat iets stuurt’; Javaans setir, stir ‘voorwerp dat iets stuurt’; Makassaars sitîrí ‘stuur van auto of fiets’; Sasaks sĕtir ‘autostuur’; Negerhollands stuur ‘roeispaan; voorwerp dat iets stuurt (bijv. wijzer van de klok)’; Sranantongo tiri, stuur ‘voorwerp dat iets stuurt, roer’; Surinaams-Javaans setir ‘voorwerp dat iets stuurt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut