Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuiven - (als stof opwaaien; snel bewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stuiven ww. ‘als stof opwaaien; snel bewegen’
Mnl. stuven ‘opvliegend stof vormen’ in Thout was verrot ende stoof [ca. 1350; MNW], ook overdrachtelijk ‘snel bewegen’ in Vrouw, hertoge, mayseniede ... stoven wech ‘meesteres, hertog, hofhouding maakten zich uit de voeten’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. stuiven ‘opvliegen, rondvliegen’ in de pluymen ... stoven in de locht [1649; WNT].
Mnd. stuven; ohd. stioban (nhd. stieben); nfri. stowe ; alle ‘stuiven’, < pgm. *stūban-, *steuban-, met stamklinkervariatie als in → ruiken. Daarnaast staat het causatief *staubijan- ‘doen stuiven’, waaruit: mnd. stoven; ohd. stouben (nhd. stäuben). Zie ook het ablautende zn.stof 1, → stoven, → stoof, en zie ook → stoom.
Verdere herkomst onduidelijk (Seebold 1970). Mogelijk verwant met: Grieks tūphṓs ‘wervelwind’, tū́phein ‘rook maken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stuiven* [waaien] {stuven, stieven 1350} middelnederduits stuven, oudhoogduits stioban en causatief middelnederduits stoven, oudhoogduits stouben zie ook stof2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuiven ww., mnl. stûven (dial. stieven, vgl. nnl. dial. Ν. Brab.) mnd. stūven, ohd. stioban (nhd. stieben) en het caus. mnd. stōven, ohd. stouben (nhd. stäuben) ‘doen stuiven, uiteenjagen’. — Dit uitsluitend continentaal-westgerm. woord staat geïsoleerd; de vergelijking met gr. tȳphos ‘rook, walm’ (Much Zs. f. d. Wortf. 2, 1902, 286) is mogelijk, maar dat geeft weinig aanleiding een idg. wt. *(s)teu op te stellen. — Uit het vla. stieven is afgeleid ne. stive ‘stof, vooral bij het malen van meel’ (sedert 1793, vgl. Bense 473).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuiven ww., mnl. stûven (dial. stieven, zoo nog o.a. N.Brab.). = ohd. stioban (nhd. stieben), mnd. stûven “stuiven”. Hierbij ’t causativum ohd. stouben (nhd. stäuben), mnd. stôven “doen verstuiven, uiteen-, opjagen”. De germ. basis stuƀ-, waarvan nog stoof, stof I, stoom, stoven komen, duidde de dwarrelende beweging van stof, nevel, rook enz. aan. Voor synonieme bases zie bij damp en stinken. Met ’t oog op de woordgroep van stinken moet verwantschap met gr. stuphelízō “ik sla, stoot” of met túptō “ik sla” enz. (zie doft) voor mogelijk worden gehouden; voor verwanten hoogerop hiervan zie doft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuiven ono.w., Mnl. stuwen + Ohd. stioban (Mhd. stieben, Nhd. id.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stuiven, verwant met ’t Gr. tuphos = rook, damp. Zie Stof.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stuiven* waaien 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut