Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuit - (het stuiten, stoot, poosje)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuit 3 m. (stoot, poos), verbaalabs. van stuiten, synon. en ablautend met stooten; vergel. Hgd. stutzen, On. stytta = knotten, korter maken. Voor de overdrachtelijke bet. pralen, z. prachen. Kluge echter leidt de bet. pralen af van de gestutzte Kleider (= bekrompen kleeren) des stuiters. Dan ware stuiten, stutzen = pralen, gevormd naar stuiter, stutzer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stuit, stuit(je) zn.: poos, poosje; Van het ww. stuiten ‘tegenhouden’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stuit ‘stoot’ -> Duits dialect Staute ‘nuk, gril, kuur’; Duits dialect Staet ‘stilstand’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal