Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuit - (achterste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stuit zn. ‘onderste uiteinde van de ruggengraat’
Mnl. alleen geattesteerd in de zuidwestelijke vorm stiet ‘stuit’ in ront ende gheclovet ouer dien stiet ‘rond en met een instulping bij de stuit’ [1287; VMNW]; vnnl. stiet, stuyt (met de indicatie “Hollands”) [1567; Nomenclator, 61a], stuyte, stuete (beide met de indicatie “Hollands”), stiete [1599; Kil.].
Ablautende afleiding van de wortel van het werkwoord → stoten.
Mnd. stüt ‘achterste, stuit’, stūt ‘jonge os’; ohd. stiuz ‘stuit’ (nhd. Steiß); nfri. stút ‘stuit’; on. stútr ‘jonge os; het stompe eind van een hoorn’ (nzw. stut ‘jonge os’); < pgm. *steuta-, stūta-. Mogelijk ontleend aan het Oudnoords is oe. stot(t) ‘slecht paard’ (ne. dial. stot ‘jonge os; werkpaard’).
De stuit is genoemd naar de stompe vorm van het ondereind van de rug, met de voorstelling dat er een stuk van afgestoten of afgeslagen is. De betekenis ‘jonge os’ gaat terug op de afgeknotte hoorns. Zie verder → stoet 2 voor de betekenis ‘broodsoort’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stuit1* [achterste] {stuyte 1599, vgl. stiet [idem] 1287} ablautend naast stoten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuit znw. v., mnl. stuut, stuyt m. en vla. stiet, mnd. stūt, ohd. stiuz m. (nhd. steisz met md. klinker), verder on. stutr ‘jonge os; hoorn; stomp (de os had deze naam naar zijn stompe hoorns). Het woord stuit betekent dus ‘het stompe achterdeel van het lichaam’ — Zie verder: stoet, stuiten en stoten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuit znw., mnl. *stuut en stiet m. (nog dialectisch bestaande). Voor de ie vgl. kieken. = ohd. stiuʒ (nhd. steiss met ei voor eu) m. “stuit”. Mnd. stût m. “id.” kan evengoed germ. û hebben (vgl. stoet II). Ablautend met stooten: voor de bet. vgl. nhd. stoss m. “staartveeren van een vogel” (in de jagerstaal), mhd. stotze m. “stam, blok”, oorspr. “het afgestootene, afgestompte”. Ook stuiten hoort hierbij.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuit 2 v. (stuitbeen), Mnl. *stuut en stiet + Ohd. stiuʒ (Mhd. id., Nhd. steusz, steisz): van stuiten = afknotten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjtoets, sjtiets, zn.: staart. Mhd. stuz, stutz ‘stoot’, stûʒ ‘stuit (van paard)’, D. Stutz ’stomp’, naast Stutzen met uitgang -en van een verbogen vorm. De bet. is ‘iets afgesnedens, korts, stomps’. Verwant met Ndl. stoten, stuit, D. Steiß ‘het stompe achterdeel van het lichaam’. Vandaar ook D. stutzen ‘couperen, snoeien’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

stiet, zn.: stuitbeen; vogelziekte aan de stuit. Ook Vlaams stiet(e). Mnl. stuut, stiet ‘stuitbeen’, Vnnl. stiet ‘croupe’ (Lambrecht), stiete, stuyte, stietbeen (Kiliaan), 1724 dat hij sijne huijsvrauwe heeft ghegheven vijf à zes stamppen op haeren stiet ofte achterste, Gent (LC). Ohd. stiuʒ, D. Steiß, i.p.v. (Obd.) Steuß, ‘stomp achterdeel van het lichaam’. Ablautend bij stoten. Dentale uitbreiding bij Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stiet, stite, stuut zn. m.: stuitbeen. Mnl. stuut, stiet ‘stuitbeen’, Vnnl. stiet ‘croupe’ (Lambrecht), stiete, stuyte, stietbeen (Kiliaan), 1724 dat hij sijne huijsvrauwe heeft ghegheven vijf à zes stamppen op haeren stiet ofte achterste, Gent (LC). Ohd. stiuZ, D. Steiß, i.p.v. (Obd.) Steuß ‘stomp achterdeel van het lichaam’. Ablautend bij stoten. Dentale uitbreiding bij Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

stiet(e) (G, L, W, Z), stute (A), zn. m.: stuitbeen. Mnl. stuut, stiet 'stuitbeen', Vnnl. stiet 'croupe' (Lambrecht), stiete, stuyte, stietbeen (Kiliaan), 1724 dat hij sijne huijsvrauwe heeft ghegheven vijf à zes stamppen op haeren stiet ofte achterste, Gent (LC). Ohd. stiuZ, D. Steiß, i.p.v. (Obd.) Steuß, 'stomp achterdeel van het lichaam'. Ablautend bij stoten. Dentale uitbreiding bij Idg. *(s)teu- 'stoten, slaan'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjtoets staart (Zuid-Limburg). ≠ staart, maar = hgd. stutz(bart) ‘kortgeknipte baard’. ~ nl. stuit (= hgd. steiss). Grondbet.: ‘stomp deel v.h. lichaam’. ~ stoten.
WLD I afl. 1, 38.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stuitjie: gew. dim., onderste deel v. d. ruggraat; Ndl. stuit (Mol. stuut/stuyt), Hd. steiss, hou verb. m. stoet, stoot, stuit en word toeg. op die stomp agterste deel v. d. liggaam; die uitdr.: (hoender)stuitjie eet, “verklik”, deur Trig gedok., kom vlgs. Scho TWK/NR 7, 2, p. 29 ook in Ned. voor.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-stuit Onderdeel van de vogelnamen Geelstuitzanger, Roodstuitzwaluw en Witstuitbarmsijs.
ETYMOLOGIE N stuit (= bij de mens onderste, bij vogels achterste gedeelte van de rug) Steiß (= “gestutzer Körperteil” <Steuß stiuz ‘bil’ [Wahrig 1992] (D stutzen ‘snoeien, inkorten, stomp maken’); oudnoords stútr ‘jonge Os (met stompe horens)’ (vgl. oudnoords stuttr ‘kort’ sub Stint). De oorspr. betekenis is: het stompe achterdeel van het lichaam. Het woord staat ablautend naast stoot, stoten.
De vogelnaam Stint is misschien etymologisch verwant. NEW 1992 (p.715 sub stuiten) echter wijst dit verband af.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stuit* achterste 1567 [Junius 61a]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal