Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuiken - (in elkaar zetten, stampen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stuiken ww. ‘stoten, duwen’; (BN) ‘neervallen, neerstorten’
Mnl. stuken ‘tegen elkaar zetten, opstapelen’ in Te graven ..., ende te ruden ..., ende te stuken ‘te graven, en met biezen te dekken en op hopen te plaatsen (van turf)’ [13e eeuw; MNW] en ‘stoten’ in Soo langhe stuuct men ende steect den stoop te watre dat hi breect ‘zo lang stoot men de kruik en steekt men hem onder water, dat hij breekt’ [1377-78; MNW]; vnnl. stuycken ook ‘met kracht neerwerpen’ (kinderspel met knikkers of noten) [1599; Kil.]; nnl. stuiken ook ‘neervallen’ in Hij stuikte van den zolder [1873; iWNT], ‘tegen het einde van een gloeiend gemaakt stuk ijzer kloppen om het dikker te maken’ [1892; iWNT].
Mnd. stuken ‘stoten; tegen elkaar zetten van bundels vlas’ (waaruit nhd. dial. stauchen ‘met de voet stoten, opstapelen’ en nzw. stuka ‘verkorten van een eind gloeiend ijzer, stampen van wasgoed’); nfri. stûkje ‘tegen elkaar plaatsen, opstapelen (van schoven, turf); verkorten van een eind gloeiend ijzer’; ne. stook ‘tegen elkaar plaatsen (van schoven)’; on. þoka ‘schuiven, verplaatsen’ (nzw. tokka); < pgm. *stūkan-. Daarnaast de ablautvariant nno. stauka ‘stoten, hakken’ < pgm. *staukōn-.
Verwant met: Sanskrit tujáti ‘hij dringt, stoot’; Litouws stùkti ‘oprijzen’; Oudkerkslavisch tŭštati sę ‘zich haasten’; Middeliers tūagaim ‘ik sla met een bijl’; < pie. *(s)teug- (LIV 602), mogelijk een uitbreiding van de wortel *(s)teu- ‘stoten, slaan’ (IEW 1032).
Stuiken duidt bijzondere toepassingen van ‘stoten’ aan, met name het vlak en breed stoten of slaan van voorwerpen, zoals bijv. wasgoed of een eind gloeiend ijzer. Een andere specialisatie van betekenis betreft het tegen elkaar stoten, plaatsen of schuiven van voorwerpen. Hierbij gaat het in het bijzonder om schoven koren, bossen vlas en losse turven, die op het veld tegen elkaar werden gezet of opgestapeld om te drogen. De uitkomst van de handeling ‘slaan, stoten’, maar dan in meer destructieve zin, wordt uitgedrukt door het van stuiken afgeleide zn.stuk 1.
gestuikt (BN) ‘klein van stuk’. Nnl. Twee zeer gestuikte juffrouwen ‘twee vrouwen met gedrongen gestalte’ [1875; iWNT]. Verl.deelw. van stuiken. De uitgangsbetekenis is hier ‘breed stoten’, wat meest ook ‘kort(er) stoten’ inhoudt, vgl. opstuiken ‘door slaan of stoten in de lengte samendrukken’ [1992; Van Dale].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stuiken* [in elkaar zetten] {stuken [stoten, duwen, opstapelen] 1377-1378} middelnederduits stukan, oudsaksisch stukkian, hoogduits stauchen [duwen, drukken]; buiten het germ. iers túag [boog], litouws stūkti [overeind gaan staan], oudindisch tujati [hij stoot]; verwant met stug, stok, stoken, verstokt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuiken ww., mnl. stūken ‘stoten, duwen’, Teuth. stuycken, nnd. stūken, nfri. stūkje ‘stuiten, tegenhouden’, nhd. stauchen, ‘met de voet stoten’, nnoorw. stauka ‘stoten, verwonderen, stotteren’. — Van idg. wt. *(s)teug vgl. oi. tujáti, tuñjáti ‘stoten, dringen’, miers tuag v. ‘bijl, boog’, tōcht ‘deel, stuk’ (IEW 1032-3). — Zie verder: stok, stoken en stuik.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuiken ww. Gewoner is in ’t alg.-Ndl. verstuiken. Uit mnl. stûken “stooten, duwen” (en “op hoopjes plaatsen”) = Teuth. stuycken (zonder vert.), ndd. stûken “stuiten, tegenhouden, opstapelen”, (oudfrank. stûkida “irritavit”? Zie echter stoken), hd. stauchen “met den voet stooten, iemand duwen geven” (of = noorw. stauka?) en “opstapelen”. Met ablaut noorw. dial. stauka “stooten” en stok, stoken, stokken, stuk. Van een idg. basis (s)tū̆g-, waarvan ook ier. tuag “bijl”, tuagaim “ik sla met een bijl”, oi. tujáti, tuñjáti, tunákti “hij duwt, drijft aan”, uit ’t Germ. nog on. þoka “schuiven, duwen”. De woordgroep van gr. stúgos “haat, afschuw” is wsch. ten onrechte vergeleken. Voor verwanten hoogerop zie doft. Idg. stu-q- misschien in lit. stukas bnw. “kort”, znw. “klomp, blok” (zie bij stug).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuiken o.w. (in alle bet.), Mnl. stuken, Onfra. stûkan, Os. stûkkian + dial. Hgd. stauchen = doen stijf staan + Lit. stugti: verwant met stoken, stok, stuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjtoeken, ww.: schokken, stoten. Met onverschoven oe bij Mnl. en Wvl. stuken ‘stoten, duwen’. Ook Ovl. stuiken ‘stampen’. Vnnl. stuken yeuwers teghen ‘heurter contre’ (Lambrecht), stuycken ‘schudden, schokken, stoten’ (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken ‘stoten, stuiten, opstapelen’, Ndd. stûken > D. stauchen ‘rechtzetten, oprichten, stoten’, verstauchen, N. stauka ‘stoten’. Idg. *(s)teug-, velare uitbreiding van Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’. Verwant met stok.

steuken, ww.: bot eggen. Mnl. stuken ‘stoten’, Fri. stûkje ‘tegenhouden’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

stuiken, ww.: stoten, stampen; betalen; op hopen zetten; vallen, (neer)storten. Ook Vlaams. De bet. ‘betalen’ kan worden afgeleid uit ‘het vooruitsteken van de hand zowel bij stoten als bij betalen’. Mnl. stuken ‘stoten, duwen; op hoopjes plaatsen’, Vnnl. stuken yeuwers teghen ‘heurter contre’ (Lambrecht), stuycken ‘schudden, schokken, stoten’ (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken ‘stoten, stuiten, opstapelen’, Ndd. stûken > D. stauchen ‘rechtzetten, oprichten, stoten’, verstauchen, N. stauka ‘stoten’. Idg. *(s)teug-, velare uitbreiding van Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’. Verwant met stok.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stuken, stuiken ww.: stoten, stampen; op hopen zetten; vallen, (neer)storten, krom lopen, knikkeren. Wvl., Mnl. stuken ‘stoten, duwen; op hoopjes plaatsen’, Vnnl. stuken yeuwers teghen ‘heurter contre’ (Lambrecht), stuycken ‘schudden, schokken, stoten’ (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken ‘stoten, stuiten, opstapelen’, Ndd. stûken > D. stauchen ‘rechtzetten, oprichten, stoten’, verstauchen, N. stauka ‘stoten’. Idg. *(s)teug-, velare uitbreiding van Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’. Verwant met stok.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

stuiken (G), stuken (ZV), ww.: stoten, stampen; op hopen zetten (G, ZV); vallen, (neer)storten (ZV). Wvl., Mnl. stuken 'stoten, duwen; op hoopjes plaatsen', Vnnl. stuken yeuwers teghen 'heurter contre' (Lambrecht), stuycken 'schudden, schokken, stoten' (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken 'stoten, stuiten, opstapelen', Ndd. stûken > D. stauchen 'rechtzetten, oprichten, stoten', verstauchen, N. stauka 'stoten'. Idg. *(s)teug-, velare uitbreiding van Idg. *(s)teu- 'stoten, slaan'. Verwant met stok.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

stèùke bot eggen, d.w.z. met de tanden schuin naar achter, dus oppervlakkig (Limburg). = nl. stuiken ‘stoten’ (= mnl. stuken ‘stoten’), fri. stūkje ‘tegenhouden’. ~ oind. tujáti ‘stoten’. Vgl. verstuiken (= hgd. verstauchen) en stoek ↑.
WLD I afl. II 149.

stuiken stoten, neerstoten, neervallen (Noordoost-Nederland, Vlaanderen, Brabant). = hgd. stauchen: ‘stoten’, fri. stûkje ‘stuiken’ ~ no. stauka ‘stoten’. Van een wortel die ook aanwezig is in oind. tujáti ‘stoten’ (zonder mobiele s).
WNT XVI 281-283, NEW 714.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

stuken, ww.: stoten, neerstoten, neervallen, betalen, op hopen zetten. Mnl. stuken ‘stoten, duwen; op hoopjes plaatsen’, Vroegnnl. stuken yeuwers teghen ‘heurter contre’ (Lambrecht), stuycken ‘quatere, incutere, impingere, quassare, concutere’ (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken ‘stoten, stuiten, opstapelen’, Ndd. stûken > D. stauchen ‘rechtzetten, oprichten, stoten’, verstauchen. N. stauka ‘stoten’. Idg. *(s)teug-, gutturale uitbreiding van Idg. *(s)teu ‘stoten, slaan’. Verwant met stok. De bet. ‘betalen kan worden afgeleid uit ‘het vooruitsteken van de hand zowel bij stoten als bij betalen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stuiken ‘in elkaar zetten, stampen’ -> Duits stauchen ‘samenpersen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stuka ‘verstuiken, platslaan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal