Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stug - (stijf, onbuigzaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stug bn. ‘stijf, onbuigzaam’
Mnl. stuch, stugge ‘onbuigzaam, stijf; ongemanierd; stuurs, onvriendelijk’ in straf, stug und stuer ‘streng, onbuigzaam en hardvochtig’ [1400-50; MNW], een stug dorper ‘een stijve dorpeling’ [1437; MNW], Die schone vintmen vele stugghe ‘die mooie vrouw vindt men erg stuurs’ [1470-90; MNW]; nnl. stug ook ‘sterk, ongeloofwaardig’ [1976; Van Dale], zoals in dat lijkt me stug [1984; Van Dale].
On. styggr ‘onvriendelijk, nors’ (nzw. stygg ‘onaangenaam’); < pgm. *stugja-.
Men neemt meestal een kernbetekenis ‘stijf en afstotend’ aan. Het woord is dan wrsch. verwant met: Grieks túkos ‘hamer’; Oudkerkslavisch tŭknǫti ‘stoten, raken’; Oudiers toll (<*tukslo-) ‘hol, gat’; < pie. *(s)teuk- (IEW 1032-1033), een uitbreiding van de wortel *(s)teu- ‘stoten, slaan’ (IEW 1032). Een andere velare worteluitbreiding hiervan, namelijk *steug-, heeft in het Nederlands → stuk 1 voortgebracht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stug* [stijf] {stug(ge), stuch 1350} oudnoors styggr; buiten het germ. grieks stugos [afschuw, treurigheid], litouws stūkti [overeind gaan staan], russisch stygnut', dial. stugnut' [bevriezen] (vgl. Stygisch).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stug bnw. ‘onbuigzaam, niet meegaande’, vgl. noordholl. ‘zich onwel voelend’, antw. ‘stout, frank’, mnl. stugge, stuch, Teuth. stugge, stug ‘stuurs, bars, onvriendelijk’, on. styggr ‘schuw, vertoornd, knorrig’ < germ. *stugja. — lit. stùkis ‘stomp’, oi. stuka ‘dot, vlok’ van idg. wt. *(s)teuk, vgl. gr. túkos ‘hamer, strijdbijl’, oiers toll (< *tukslo-) ‘hol, gat’, osl. tŭknąti ‘drukken, stoten’, istukati ‘uithouwen’; afl. van de wt. *steu, waartoe ook stuk behoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stug bnw. N.Holl. dial. = “zich onwel voelend”, Antw. = “stout, frank”, mnl., Teuth. stugge, stug “stuursch, barsch, onvriendelijk, streng”. = on. styggr “id., schuw”, germ. *stuʒja-. Wellicht met de oorspr. bet. “onbeweeglijk staande, stijf” bij idg. st(h)ū̆- (zie stuurs): idg. *st(h)u-q-jó- of *st(h)u-gh-jo- (k, ĝh?). Vgl. lit. stúgstu, stúgti “stijf in de hoogte staan”. Lit. stukas “klomp, blok” wsch. niet hierbij. Wel kan ’t met stug gecombineerd worden, als wij voor germ. *stuʒja- een grondbet. “hortend, stootend” aannemen en ’t van idg. stu-q- “stooten” (zie stuiken) afleiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stug. Tegen verwantschap met on. styggr is wel aangevoerd, dat laatstgenoemd woord als wa-stam wijst op germ. *stiwwa- (W.de Vries Tschr. 40, 140). De wa-declinatie kan evenwel secundair zijn (afll. wijzen op ja-vormen; vgl. v.d.Meer Hist. Gr. I, 253 vlg.), zodat de zozeer voor de hand liggende verwantschap kan worden gehandhaafd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stug bijv., Mnl. stugghe + On. styggr (Zw. stygg, De. styg) + Gr. stúgos = afschuw.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stug* stijf 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal