Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

struisvogel - (loopvogel (Struthio camelus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

struisvogel zn. ‘loopvogel (Struthio camelus)’
Mnl. struus in De strus voer wech ... Jn die wostine ‘de struisvogel ging weg, de woestijn in’ [1285; WMNW], ook vogel struus in dat jonc van i vogle struus ‘het jong van een struisvogel’ [1287; VMNW]; vnnl. struys, struys-voghel ‘struisvogel, Afrikaanse vogel’ [1599; Kil.], ook vogelstruis in Buffels ende Herten, met veel Voghel-Struysen [1602; WNT]; nnl. struis, struisvogel, vogelstruis in de huppelende struisen [ca. 1725; WNT], in 't Latyn Struthio, in 't Nederduitsch Struisvogel of Vogelstruis [1763; WNT], Dat de struisvogel zoo dom zou zijn, om, wanneer hij achtervolgd wordt, zijn kop in het zand te steken [1879; WNT].
Samenstelling van struis en → vogel ‘gewerveld dier met vleugels en snavel’. Het woord struis ‘struisvogel’ is ontleend aan vulgair Latijn *strutso < Laatlatijn (avis) struthio ‘struis(vogel)’, dat zelf ontleend is aan Grieks strouthíōn ‘struisvogel’; het Griekse woord is een afleiding van strouthós als losse vorm; strouthòs wanneer er een ander woord volgt ‘struisvogel’. Met mnl. struus komt Duits Strauss helemaal overeen. De samenstelling met vogel kan worden vergeleken met Frans autruche < oudfra. ostrice, waaruit Engels ostrich, uit Romaans *avistrûthius < Latijn avis ‘vogel’ en struthio.
Grieks strouthós betekent ook algemener ‘kleine vogel’, maar in verbinding met verschillende bn., zoals in strouthòs megálē, ook ‘grote vogel’. De herkomst van het woord is onzeker. Men legt wel verband met enkele Europese woorden voor ‘lijster’ (Duits Drossel, Engels thrush, Latijn turdus, Iers truid, Litouws strãzdas), maar de details zijn onduidelijk. De vele variaties die het woord in het Grieks kent, wijzen er eerder op dat het een leenwoord uit een voor-Griekse taal is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

struisvogel, struis [loopvogel] {voghel struus 1287, struys, struysvoghel 1599} tautologische samenstelling van laat-latijn struthio [struisvogel] < grieks strouthos [mus], samen met voorgevoegd megalè [groot], dus lett. grote mus, gebruikt voor de struisvogel.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

struisvogel

De eigenlijke naam van de grootste ons bekende vogel is: struis, een naam die aan het Latijn is ontleend. In die taal heet hij: avis struthio en dit is letterlijk vertaald door: vogel struis, dat dikwijls aanéén geschreven werd, evenals vogelkraan. Nog in de Camera Obscura leest men, dat bij het pandverbeuren ‘Bartje Blom met den vogel struis verstrikt werd’. Het is duidelijk dat zowel het Franse ‘autruche’ als het Engelse ‘ostrich’ aan ‘avis struthio’ is ontleend. In het Nederlands evenwel is men, op voorbeeld van kanarievogel, gaan spreken van struisvogel.

Onder struisvogelpolitiek verstaat men de politiek, de handelwijze van iemand, die bij gevaar zich dat ontveinst en door het hoofd in het zand te stoppen meent veilig te zijn. Dat struisvogels dit zouden doen, is een bakerpraatje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

struis 1 znw. m. ‘struisvogel’, mnl. struus, mnd. strūs (> on. strūz), ohd. strūʒ (nhd. strauss), oe. strūta, strȳta lat. strūthio < gr. strouthíon. Reeds vroeg hebben de Germanen door de Romeinen van deze vogel gehoord, terwijl de Angelsaksen het woord rechtstreeks aan het latijn hebben ontleend, gingen de Westgermanen van een vorm *strūtjō uit, die over tot ss voerde. — De vorm struisvogel is te vergelijken met vuig. lat. avis struthio > spa. avestruz, ofra. ostruche (> ne. ostrich), nfra. autruche.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

struis I (vogel), mnl. struus m. = ohd., mhd. strûʒ (nhd. strauss), mnd. strûs, later-on. strûz m. “struisvogel”. Uit lat. strûthio of een vulgairlat. vorm hiervan met of ts, waarop ook it. struzzo “struisvogel” berust. Op lat. *avi-strûthio (“vogel-struis”) gaan verschillende rom. vormen, o.a. ofr. ostrusce (> eng. ostrich; fr. autruche) terug. Een geleerde ontl. uit ’t Lat. is ags. strŷta m. Lat. strûthio < gr. strouthíōn, -ion naast stroūthos megálē en strouth-kámēlos “struis” (stroūthos, strouthós “musch”).

struisvogel znw., sedert Kil. Vgl. damhert.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

struis 1 m. (vogel), Mnl. struus, gelijk Hgd. strausz, uit Lat. struthio, van Gr. strouthíon, een afleid. van stroũthos = vogel. Het Fr. autruche (waaruit Eng. ostrich) beantwoordt aan Lat. avis struthio = de vogel struis (voor avis, z. ei).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Struisvogel Struthio camelus Linnaeus 1758. De grootste levende Vogel op aarde, die niet in het wild in de Lage Landen voorkomt. De soort is hier echter toch wel al lang bekend en de N naam gaat terug tot in het mnl. De soortnaam camelus maakt de vergelijking van de vogel met de Kameel (/Dromedaris) Camelus, volgens Jacob van Maerlant omdat zijn poten eruit zien als die van een Kameel, volgens Jobling 1991 (sub camelus) omdat de vogel zo groot is als een Kameel. Uit JvM (Naturen Bloeme, boek III): Strucio dats een voghel groet, / Van voeten des kemels ghenoet. / Als dese voghel broeden pliet, / Om dat VIIsterre hi siet, ... / Dan leghet hi sijn eyer op tlant, / Ende bedectse onder tsant. ... / Aristotiles seghet dat wort: / Qualike of niet mach hi vlieghen. / Yser eet hi, sonder lieghen. / Van der aerde mach hi niet risen, / Maer hi loept na beesten wise, / Ende sijn vloghele maken hem vaert, / Dat hi snelre es dan een paert ... / So dul es hi, als in der haghen / Sijn hovet wel bedect es iet, / Dan waent hi datmenne niet en siet.
Jacob van Maerlant (en voorgangers) waren dus al bekend met de ‘Struisvogelpolitiek’!
ETYMOLOGIE N Struisvogel Vogelstruis (>zuidafrikaans Volstruis), Struisvogel; geslacht der Struisvogelen [Houttuyn 1763] struus (JvM 1272, 1287(?), handschrift 4e kw. 13e eeuw [VT; Sijs]; in JvM slechts Lat Strucio), struys, strues, struce [MH]; fries Strûsfûgel, Strúsfûgel; D Strauß strûze strûz struthio; E Ostrich austruce, austruche, ostruche, oustruche (1515) >F Autruche (1556); zweeds/noors Struts strúz strūs (avis) struthio strouthós, strouthíōn, Stroutho- Kámēlos, letterlijk ‘Musje-(zo-groot-als-een-)Kameel’; Sp Avestruz (letterlijk ‘vogel struis’); portugees Avestruz; It Struzzo;R CTpáyc Stráoes, bulgaars IIIpayc Sjtsjráoes, Kamílska ptitsa.
Uit alle namen, behalve Stroutho-Kámēlos en Kamílska ptitsa, is nu net dát element weggevallen dat essentieel was: de Kameel. Naar de oorspr. betekenis betekenen Struisvogel en Avis struthio zoveel als ‘Mus-vogel’ en dat was uiteraard niet de bedoeling van de oorspr. naamgever.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

struis(vogel) (van Latijn struthio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

struis(vogel) ‘loopvogel’ -> Deens struds ‘loopvogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors struts ‘loopvogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds struts ‘loopvogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins strutsi ‘loopvogel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

struis(vogel) loopvogel 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut