Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

struik - (heester; bos groente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

struik zn. ‘heester; bos groente’
Mnl. struuc ‘loot, tak, struik’ in struken, snjden ‘snoeien’ [1240; Bern.], in i dier dat wi teencoren eeten hier ... jn bussche wandelt vp die struke ‘een dier dat we hier de eekhoorn noemen, in bossen loopt het over de takken’ [1287; VMNW], ‘stomp van lichaamsdeel enz.’, zoals in alse hise afhouwen waende, quamer up elken struke viere ‘toen hij dacht dat ze afgehouwen waren, kwamen er op elke stomp vier (koppen)’ [ca. 1350; MNW], ‘stronk, boomstomp’ in Hi sleepten ... over struuc ende over steene ‘hij sleepte hem over stronken en over stenen’ [1370; MNW] en ‘boomstam’ in opten struuc des booms ‘op de stam van de boom’ [1439; MNW]; vnnl. struik ook ‘groente met veel scheuten, stengels en bladeren dicht bij de grond’ in die wel 2 oft 3 Artichokken van de strujk roofden [1633; iWNT].
Mnd. strūk ‘struik; tak’; mhd. strūc ‘boomstomp; struik’ (nhd. Strauch ‘struik’); ofri. strūk ‘tak’ (nfri. strûk ‘struik’); < pgm. *strūka-. Daarnaast staat on. strúgr ‘trots, overmoed’ (nzw. dial. strug ‘twist’) < pgm. *strūga-.
Verwant zijn Litouws strùgas ‘kort, afgeknot’; Lets strūkuls ‘ijspegel’; en misschien Grieks strúkhnon ‘nachtschade’ (plant); < pie. *streug-, *streuk- (IEW 1026), misschien uitbreidingen van de grondvorm *(s)ter(h1)- ‘stijf’, waarvoor zie → star.
De uitgangsbetekenis van struik is wrsch. ‘stijf eind’, i.h.b. ‘boomstomp, stronk’, net als voor de wortelvariante vormen → stronk en stromp. Veel boomstompen ontstonden door afknotting in het kader van de bosbouw. De takken van bepaalde boomsoorten werden van tijd tot tijd afgehouwen en voor bijv. de huizenbouw (vakwerkbouw) en het vlechten van manden gebruikt. Op de stomp ontstond na elke afknotting een telkens dichtere wirwar van takken en bladeren, waarop allengs de benaming struik overging. Ter vergelijking kan dienen het nauwverwante woord stronk, dat in het Vlaams en het Antwerps nog de betekenis draagt van de gezamenlijke takken of bladeren die opgroeien uit de stronk of stam. Om de gelijkenis wat betreft de ogenschijnlijk rechtstreeks uit de wortel groeiende wirwar van takken zal de benaming vervolgens zijn overgedragen op heesterachtige gewassen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

struik* [heester] {struuc, struyc [boomtronk, pol gras, afgehouwen deel, geknot lichaamsdeel] 1265-1270} middelnederduits strūk, middelhoogduits strūch, naast genasaleerd stronk, verwant ook met strobbe; buiten het germ. latijn truncus [stronk, bn.: verminkt, geknot] (vgl. tronk), litouws strugas [geknot], lets strūkuls [ijspegel]; vgl. de afleiding struikelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

struik znw. m., mnl. struuc m. ‘stronk, stam, struik, af geknot stuk, geslacht, mnd. strūk m. ‘struik, struikgewas, afgebroken tak’, mhd. strūch (nhq. strauch) m. ‘struik, struikgewas’; daarnaast staat stronk en struikelen. Naast een vorm met k vinden wij met g on. strūgr ‘overmoed, trots’, nijsl. strjūgur (gerecht van geronnen melk, nnoorw. strū ‘koppig’ en ne. struggle ‘worstelen’. — Alleen nog te vergelijken lett. strukuls ‘ijspegel’, lit. strùgas ‘kort, afgeknot’.

Wij hebben hier een typische woordgroep van het bedrijf in het loofbos: de jonge bomen worden geregeld van hun jonge loten ontdaan, waardoor op de kortgehouden stam een struikachtig gewas zich ontwikkelt. — De idg. wt. *streug is afgeleid van *streu, zelf weer van de onder star behandelde wt. *ster. Andere afleidingen zijn:
met dentaal zie: strot, stront en struis 3
met labiaal zie: strobbe en stroef

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

struik znw., mnl. struuc m. “stronk, stam, struik, afgeknot of afgebroken stuk, geslacht”. = mhd. strûch (nhd. strauch) m. “struik, struikgewas”, mnd. strûk m. “id., afgebroken tak”. Niet te scheiden van ’t ww. struikelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

struik. Onzekere combinatie met gr. strúkhnos, ‘solanum’ (< idg. *strug-s-no-?), lit. strugė ‘festuca’ bij Petersson Etym. Misz. 18 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

struik m., Mnl. struuc + Mhd. strûch (Nhd. strauch): z. stronk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

struik ‘heester’ -> Frans dialect strouk, struk; étruque ‘stronk (van een heester, boom); splinter’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

struik* heester 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut