Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stroom - (bewegende vloeistof; elektriciteit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stroom zn. ‘bewegende vloeistof; elektriciteit’
Mnl. stroem ‘stroom, zee, kolk’ [1240; Bern.], stroom ‘stroom, stroming, vloed’ in in die riuiere. Een deel buten den grote strome ‘in de rivier, een eind buiten de sterke stroming’ [1285; VMNW]; vnnl. stroom ‘rivier’ in stromen als den Rijn, ... de Maes [1642; WNT], ook overdrachtelijk in met een' stroom van reeden ‘met een stroom van woorden, een woordenvloed’ [1642; iWNT]; nnl. ‘vloed’ in stroomen van traanen [1785; iWNT], ‘electriciteit die zich verplaatst’ in de stroom der electrische stof [1787; iWNT], ‘grote aantallen’ in eene groote volksmenigte ... de stroom die zich naar het glazen-paleis in Hydepark spoedde [1851; Archief Eemland], ook overdrachtelijk ‘vloed’ in een stroom van verwijten [1888; iWNT].
Os. strōm; ohd. stroum (nhd. Strom); ofri. strām (nfri. stream); oe. strēam (ne. stream); on. straumr (nzw. ström); < pgm. *strauma- < pie. *srou-mo-.
Verwant met: Grieks rheĩn ‘stromen’ (zie → diarree, → gonorroe, → reuma, → ritme); Sanskrit srávati ‘stroomt’; Avestisch raōdhati ‘stroomt’; Litouws sravė́ti ‘kabbelen, sijpelen’; Oudkerkslavisch struja ‘het stromen’; Oudiers sruaimm ‘rivier’; < pie. *sreu-, *srou-, *sru- ‘stromen, vloeien’ (LIV 588, IEW 1003).
stromen ww. ‘vloeien; zich in groten getale voortbewegen’. Mnl. stromen ‘onstuimig vloeien’ in Het viel die reghen ende waeiden die winde ende stromden die vloede ‘de regen viel en de winden waaiden en het water kwam aanstromen’ [1332; MNW]; vnnl. ‘(krachtig) vloeien’ in Ick (de Tiber), die van 't hoogh geberght koom stroomen naer beneden [1660; iWNT]; nnl. ‘(rijkelijk) vloeien’ in De tranen stroomden langs mijn wangen [1803; iWNT], ‘zich in groten getale verplaatsen’ in de aanschouwers, die ten schouwburge stroomden [1808; iWNT]. Afleiding van het zn. stroom.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stroom* [bewegende massa vloeistof] {strome, stroom 1201-1250} oudsaksisch strōm, oudfries strām, oudengels stream, oudhoogduits stro(u)m, oudnoors straumr; buiten het germ. grieks reuma [stroom], oudiers srúaim, litouws srovė [stroom], lets straume [stroom], oudkerkslavisch ostrovŭ [eiland, lett.: omstroomd], oudindisch sravati [hij vloeit] (vgl. reuma).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stroom znw. m., mnl. stroom m. v. (ook struum, vgl. limb. strûm), os. strōm, ohd. stroum (mhd. ook strōm, strūm, nhd. strom), ofri. strām, oe. strēam (ne. stream), on. straumr. — Van idg. wt. *sru, vgl. oi. srava-, lit. sravà ‘het stromen’, srovė̃ ‘stroom’, osl. ostrovŭ ‘eiland’ en gr. rhoós, rhoḗ; verder oi. sravati, gr. rhéō ‘stromen’, lit. sruaiù, sravė́ti ‘siepelen’, met abl. gr. rheuma ‘het stromen’, lett. straume, oiers sruaim ‘stroom’, vgl. thrac. Strúmōn ‘riviernaam’ (IEW 1003). — Zie ook: stromen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stroom znw., mnl. stroom m. (v.) (ook struum (strûme?), Limb. Serm. strûm). = ohd. stroum (mhd. ook strôm, strûm, nhd. strom), os. strôm, ofri. strâm, ags. strêam (eng. stream), on. straumr m. “stroom”. Met formans -mo- van de idg. basis sru- “stroomen” (germ. str- < sr-: vgl. zuster; evenzoo in ’t Slav. en Lett.). Vgl. vooral ier. sruaim, gr. reūma, po. strumień “stroom”, thrac. Strúmōn riviernaam (formans -men-), lett. straume (formans -mâ-) “id.”, verder o.a. ier. sruth “rivier”, gr. réō “ik stroom”, obg. struja “stroom”, lit. sravà “het stroomen”, arm. aṙu “kanaal”, oi. srávati “hij stroomt”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

room. Daar de voorgestelde etymologieën geenszins afdoende zijn, verdient ook overweging de combinatie met de woordfamilie van stro[o]men (Lindqvist PBB.43, 108 vlg.; H.Schröder PBB. 47, 164). Men zou dan voor de s-loze wortel *ru- uit moeten gaan van de bet. ‘(boven) drijven’. Vgl. on. flautir v. mv., ags. flîete v., ablautend mnd. vlot o. (m.?) ‘room’ bij vlieten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stroom m., Mnl. id., Os. strôm + Ohd. stroum, strûm (Mhd. strûm, strôm, Nhd. strom), Ags. stréam (Eng. stream), Ofri. strám, On. straumr (Zw. ström, De. strøm): Germ. wrt. streu, met epenthet. t tusschen s en r + Skr. wrt. sru = vloeien, Gr. réein (d.i. *sreu̯ein) = vloeien, en reũma = stroom, Lat. Roma (d.i. *srûma) = de stroomstad, Oier. sruaim, Osl. struja = stroom: Idg. wrt. sreu.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stroom, afl. op m van den Idg. wt. sru (de sr werd in ’t Germ. str) = vloeien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stroom ‘bewegende massa vloeistof’ -> Negerhollands stroom, strom ‘bewegende massa vloeistof’; Berbice-Nederlands strom ‘bewegende massa vloeistof’; Papiaments strom (ouder: stroom) ‘bewegende massa vloeistof’.

stroom ‘hoeveelheid elektriciteit’ -> Indonesisch seterum, setrum, str(o)om, strum ‘elektrische stroom; geestelijke invloed’; Balinees setrum ‘hoeveelheid elektriciteit’; Jakartaans-Maleis seterum ‘hoeveelheid elektriciteit’; Javaans setrom, strom ‘hoeveelheid elektriciteit’; Makassaars sitorông ‘elektrische stroom’; Menadonees strom ‘hoeveelheid elektriciteit’; Sranantongo strowm ‘hoeveelheid elektriciteit’; Surinaams-Javaans setrum ‘(hoeveelheid) elektriciteit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stroom* bewegende massa vloeistof 1240 [Bern.]

stroom* hoeveelheid elektriciteit 1787 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2204. Tegen den stroom oproeien, inroeien (of opwerken),

d.w.z. ondanks verzet of wederstand streven naar het bereiken van zijn doel; iets trachten te bereiken tegen de algemeene meening, de publieke opinie in. Navolging van lat. adverso flumine niti; contra aquam remigare; vgl. mnl. pinen jegen stroom; Sirach, 4, 31; Cats I, 465; Tuinman I, 143; Harrebomée II, 316 b; III, 342 a; Waasch Idiot. 637 a: tegen stroom varen; De Bo, 1461 a: tegen drift werken; Wander IV, 923; Ndl. Wdb. XI, 1126; 1396; fri. tsjin 'e stream yn wolle; hd. gegen den Strom schwimmen; eng. to swim against the tide; to row against the stream; fr. aller, ramer contre le fil de l'eau, contre le courant.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut