Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strooisel - (datgene wat dient om te strooien, of wat gestrooid is)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

strooi’sel (het), confetti. - Etym.: AN s. = alles wat gestrooid wordt, i.h.b. bloemen voor een bruid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strooisel ‘datgene wat dient om te strooien, of wat gestrooid is’ -> Duits dialect Streusel, Streussel, Streußel ‘mengsel om mee te strooien van riet, zegge, stro of mos en dennennaalden’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut