Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strobbe - (boomstronk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

strobbe* [boomstomp] {strubbe 1451-1500} vgl. nl. dialect strubben [kreupelhout], middelnederduits strubbe [boomstomp], middelhoogduits struppe (hoogduits Gestrüpp [kreupelhout]), naast stobbe (vgl. strumpel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strobbe, strubbe, znw. dial. (Gron. Drente, West-Vla.) ‘boomstomp’, mndl strubbe, mhd. struppe (nhd. gestrüpp) is gevormd met -bb- van de stam van stroef.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

strobbe, strobbelen v. resp. ono.w., + Hgd. gestrüpp: bij streuvelen, stroef; z. struweel en struikelen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut