Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

streek - (gebied; laakbare daad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

streek zn. ‘gebied; laakbare daad’
Mnl. streke, streec ‘streep’ in vpten ricg heuetet .iij. roode streken ‘op de rug heeft hij drie rode strepen’ [1281; VMNW], ‘strook land’ in de veldnaam de Lange streke ‘De Lange Streek (bij Tongeren, Belgisch Limburg)’ [1280-90; VMNW], upten eersten streec ‘op de eerste strook land’ [1406; MNW], ‘klap’ in gaf des graven ors doen enen streke ‘gaf het paard van de graaf toen een klap’ [ca. 1444; MNW], ‘list, slag die men slaat’ in die hen den streke onderginc ‘die hun deze list belette uit te voeren’ [15e eeuw; MNW], ‘richting, koers’ in Van norden int suyden die streeck rechtuyt ‘van noord naar zuid in die richting rechtdoor’ [1477; Teuth.]; vnnl. streek ‘windstreek, onderverdeling op het kompas’ in De Roosen vande Compassen werden by de Stuerluyden afghedeelt in 32. winden ofte ghewesten ende streecken [1614; iWNT], ‘strijkende beweging bij het schilderen’ in als 't penseel De jongste streeck voltreckt [1644; iWNT], ‘laakbare handeling’ in de streken van een' rekel [1657; iWNT], ‘koers, windstreek’ ook overdrachtelijk in 't Compas is van de pen, ik ben al vande streek ‘ik ben helemaal uit de koers, helemaal van streek’ [1662; iWNT]; nnl. streek ‘sluwe handeling’ in allerlei listen en streken [1733; iWNT], ‘onjuiste handeling’ in onbezonnen streken [1848; iWNT], een domme streek [1865; iWNT].
Ablautend zn. bij de wortel van het werkwoord → strijken.
Mnd. streke; ohd. strih (nhd. Strich ‘streep, lijn, haal’); got. striks; alle oorspr. ‘streep’, < pgm. *striki-.
In het Middelnederlands bestaan vele betekenissen als ‘streep’, ‘strook’, ‘slag’ en ‘richting’, die zijn terug te voeren op ‘ergens langsgaande beweging’; de meeste van die betekenissen zijn later verdwenen, maar niet alle, vergelijk pennestreek, een streek van de strijkstok e.d. In de betekenis ‘handeling’ heeft streek met name negatieve betekenissen ontwikkeld; reeds in het Middelnederlands betekent streek ook ‘list’. Ook Duits Streich heeft deze betekenis, vergelijk Till Eulenspiegels lustige Streiche van Richard Strauss.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

streek* [streling, poets, gebied] {streke [streep] 1285; in de betekenis ‘het strijken, streep, slag die men slaat, afdeling’ 1400} middelnederduits streke [streep, streek], oudhoogduits strih, oudnoors strik [gestreepte stof], oudengels strica [streep, gebied], gotisch striks [streep]; staat tot strijken als spleet tot splijten. In de uitdrukking van streek zijn [in de war zijn] is streek een ‘kompasstreek’, een van de 32 streken waarop men kan koers houden.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

streek

Streek behoort bij strijken, zoals spleet bij splijten en beet bij bijten. Eigenlijk is streek dus: de strijkende beweging van de violist, de schilder, de schaatsenrijder. Dan wordt streek ook gebezigd voor: kunstgreep, handigheid, slag en daarna voor: laakbare handigheid, schadelijke daad, sluwe bedriegerij. Maar ook wordt streek gebruikt voor windstreek, die door lijnen op het kompas wordt aangeduid. Vandaar de uitdrukking van streek zijn voor: de kluts kwijt zijn, zenuwachtig zijn. Wanneer immers het kompas verdraaid is, is de zeeman zijn koers kwijt, is hij van streek. Een aardige vermenging van de twee betekenissen van streek, namelijk: sluwe daad en: windstreek, vinden we in de zegswijze: hij heeft lelijke streken op zijn kompas voor: hij heeft slechte eigenschappen, lelijke gebreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

streek znw. v., mnl. strēke v. ‘streep; zweepslag; streek; bepaalde lengte of uitgestrektheid’, mnd. strēke m. ‘lijn, streep, zone, afstand, gebied, slag’, ohd. strih m. ‘lijn, streep, zone’ (nhd. strich), got. striks m. ‘streepje’; vgl. verder on. strik o. ‘gestreepte stof’, nnoorw. dial. strik ‘streek, poets’, met express. -kk- os. strikko m. ‘streepje’, oe. strica m. ‘streepje, gebied’. Daarnaast abl. laat-mhd. nhd. streich m. ‘slag’, westf. strēk m. ‘slag, poets’, ne. stroke ‘slag’. — Zie: strijken.

Naast streek uit de idg. wt. *streig staat strook uit *streug, een voorbeeld van wisselvormen met de vocalen ei en eu, waarvoor vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 19.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

streek znw., mnl. strēke m. v. = ohd. strih (hh) m. “lijn, streep, zone” (nhd. strich), mnd. strēke m. “id., afstand, gebied, slag”, got. striks m. “streepje”, germ. *striki-. Staat tot strijken als spleet tot splijten. Hiernaast het o. znw. on. strik “gestreept goed”, noorw. dial. strik “streek, poets”; ook ags. stric “ziekte, pest”(?) hierbij? Os. strikko m. “streepje”, ags. strica m. “id., regio” veronderstellen een vóór-germ. stam *strigon-, *strign-. Met ablaut laat-mhd., nhd. streich m. “slag, poets”, westf. strêk m. “id.”, ags. *strâc (eng. stroke “slag”). Een hiermee overeenstemmende vorm behoeft voor ’t Ndl. niet aangenomen te worden. De ndl. dial.-vormen en ook de vormen bij Kil. en Cats hebben ē en wijzen slechts op een onfr. *striki-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

streek. Over vóór-germ. *strign-, door os. strikko m. verondersteld, zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

streek 1 v. (landstreek), Mnl. streke + Hgd. strich: van denz. stam als ’t meerv. imp. van strijken = zich uitstrekken.

streek 2 m. (list), + Hgd. streich, Eng. stroke: van denz. stam als ’t enk. imp. van strijken = aanraken, slaan.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

streek 'strook land of grond, gebied'
Mnl. streke 'lijn, streep, bepaalde lengte of uitgestrektheid', mnd. streke 'lijn, streep, zone, afstand, gebied, slag’, ohd. strih 'lijn, streep, zone', got. striks 'streepje'. Als toponymisch grondwoord in het bijzonder 'strook land of grond, smal gebied' respectievelijk 'landstreek'. In het Gronings en Drents meer bijzonder 'een rij huizen', de kenmerkende langgerekte veenkoloniale lintbebouwing.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Streek (landstreek) van strijken (z. d. w.) = aanraken en verder: zich uitstrekken om iets aan te raken. Streek is dus: het uitgestrekte land, dat aan een ander raakt. Vandaar ook streek (list), eig.: aanraking, slag, stoot, aanval; „een leelijke streek” is dus oorspr.: een leelijke slag of stoot, later meer: een listig verzonnen slag, die eerst niet gezien wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

streek ‘gebied’ -> Russisch dialect strík, stryk ‘windstreek, kompasstreek’.

streek ‘list, poets’ -> Frans dialect estrecque ‘ongeluk, overkomen door onhandigheid (oorspr. domme streek)’; Negerhollands streek ‘poets, list’; Papiaments † streek ‘list, poets’; Sranantongo streik ‘poets, list’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

streek* gebied 1595 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2193. Van streek zijn (of raken),

d.w.z. in de war zijn, de kluts kwijt zijn; ook in zenuwachtigen toestand verkeeren, de tramontane kwijt zijn; zich van streek maken, zich in de war maken, zich zenuwachtig maken (o.a. Boefje, 115; Mgdh. 230). Onder een streek, eene afleiding van strijken, gaan, verstaat men een windstreek, het 32ste deel van de windroos, de kompasroos, een kaartenblad, waarop de 32 windstreken getrokken zijn vandaar; dat streek de bet. aanneemt van richting, koersVandaar ook Hij heeft leelijke streken op zijn compas, leelijke gebreken; eig. hij gaat slechte verkeerde wegen, in een slechte richting; o.a. B.B. 9: Wat wordt je rood in je gezicht. Zoo, zoo, heb jij zulke streken op je kompas; bl. 220: Als ik bij mij aan boord een jongen zie loopen, die er smerig uitziet, dan suponeer ik dadelijk, dat hij streken op zijn kompas heeft of dat hij wat uithaalt dat niet in den haak is; Nederland, Aug 1914, bl 475: Pas getrouwd.... en dan zulke streken op z'n kompas; Harreb. I, 431; Nkr. X, 29 Jan. p. 8: Jij hebt toch wel andere streken op je kompas (= pijlen op je boog), me jongen.. Vgl. mnl. eens streecs, in ééne richting, rechtdoor; ndl. rechtstreeks, mlat. linea recta; hd. in einem Strich, eig. zonder oponthoud, in één gang, mnl. eensganx; De Brune, Bank. I, 303: Een rechtschapen Amptenaer moet een rechte kours of streke houden, zonder eenighsints te wraken of te wijcken; en de uitdr. streek houden, d.i. een bepaalden, vasten weg volgen, koers houdenDe Jager, Lat. Versch. 138-139., die we aantreffen bij Spieghel, Hertsp. II, vs. 36; Hooft, Brieven, 445; Vondel, Leeuwendalers, 395; 694; Sofompaneas, 76; Halma, 619: Streek houden, koers houden, den regten weg houden, tenir la route; in het Waasch Idiot. 298: geen streek houden, dwalen, suffenOok van de kompasnaald wordt gezegd, dat ze geen streek houdt, wanneer ze al heen en weer gaat en niet precies de windstreek aanwijst; zie Winschooten, 299..

Raakt men de richting, de streek, kwijt, doordat het kompas òf verdraaid of van de pen is, dan is men uit of buiten zijn streek (lett. in Vondel, Virg. I, 182; 228; II, 99), van streek, uit den koers; bij overdracht in de war. Vgl. V. Moerk. 457: 't Compas is van de pen, ik ben al van de streek; Huygens VII, 307: Hoe raeck ik van mijn' streken, waer heeft mij 't schip vervoert?; Sewel, 764: Hy is geweldig van zyn streek, he is much out of countenance; Afrik. hy is van stryk. Synoniem was uit zijn compas zijn, dat we aantreffen bij De Brune, Bank. II, 362. Hierbij behoort ook de uitdr. iemand op streek helpen, aan den gang helpen; op streek zijn, d.i. aan den gang zijn, in orde zijn; vgl. Sewel, 764: Hy is nog niet op zyn streek, he is not yet in, he is not yet a going; Van Eijk I, 132: van zijn streek zijn, ongesteld zijn; weer op zijn streek zijn, hersteld zijn; Draaijer, 29 a: op strek, in orde, op orde, blijIn Friesland kent men ook goed mei immen op streek wêze, het goed met iemand kunnen vinden; goed met hem overweg kunnen; vgl. Afrik. hulle twee kan nie met mekaar stryk nie; hd. mit jem. gut zu Streiche kommen. Het komt me voor, dat deze zegsw. ook aan het schaatsenrijden kan ontleend zijn en eig. wil zeggen: streek kunnen houden bij 't rijden, wat de Groningers snee hollen noemen (Molema, 338 a); vgl. ook het fri. op 'e gleed, op schaatsen, op gang, vlot; fen 'e gleed, van streek, niet vlottend. Zie no. 488.; Schuermans, 689 a: op streek zijn, in gunstige stemming zijn; van zijne streek (af) zijn, in geen gunstige stemming zijn; Waasch Idiot. 636 b: van zijn streek of niet op zijn streek zijn, niet wel te pas zijn, door iets of iemand gehinderd zijn; Transv. op koers zijn (Onze Volkstaal III, 139); Afrik. hy kom nou weer op stryk; fri. immen fen 'e streek bringe, in de war brengen; fen 'e streek wêze, ongesteld zijn; wer op streek komme, herstellen; naast op 'e set komme, - wêze, op streek komen, er slag van krijgen (vgl. mnl. setten, zich begeven; ndl. iemand nazetten); Wander, IV, 909: er hält den rechten Strich, den rechten weg (vgl. fri. hy haldt goed streek, leeft geregeld); er ist von seinem Strich, vom Kranken; er ist wieder auf seinen Strich gekommen, seine Gesundheid ist wiederhergestellt.

1573. Iemand een muilpeer geven,

d.w.z. iemand een slag in het gezicht geven; vroeger ook iemand muilperen, muilperizeeren (zie Ndl. Wdb. IX, 1207). In de Middeleeuwen was muilpeer in dezen zin bekend, blijkens Exc. Cron. 240 c: (Hi) greep den sot metten hare ende gaf hem oock een goede muilpeere; zie verder Kiliaen: Muyl-beere, muyl-peere, alapa; muyl-beeren t' eten gheven. Adag. pugnos ingerere; zie verder Trou m. Blycken, 211; Everaert, 45; Veelderh. Gen. Dichten, 125; Halma, 363: Muilpeer, klap voor den bek, en zeer veel andere plaatsen in de 17de en 18de eeuw. Andere dergelijke ironische benamingen zijn of waren: stocksuiker, kneppelkoek, kneukelsop, stockvisch (met boter), kapittelstokken, vuystamandele, een vuystplaester, kloppersboonen, backevisje, suyrekoock, vuystesweet, bokking, stroppeer (galg), pens (in pens eten, slaag krijgen), kropsalade (De Bo, 580), schimp-azijn, rottingolie, cnoockelpoeder, tangenbrood, mulenbier, kruidige worst, klompe krooning, ongebrande asch, ongesouten ael, schippers metworst (kabel), slagkoeken, telhout; enz. Thans zijn nog in gebruik: oorvijg, oorband (eig. een smalle doek die om het hoofd gebonden wordt, en zich verbreedt bij de ooren; men gebruikt dezen bij oorziekten); Jord. II, 121: iemand een oliekoek te likken geven; bij Schuerm. 461: iemand eene goede paté (fr. pâté) geven (Antw. Idiot. 943: iemand 'en patee om zijn ooren gevenIn Aardenburg partoet, oorveeg (Noord en Zuid II, 319).); iemand een patat (aardappel) zetten (Antw. Idiot. 942: iemand 'ne pataat om zijn ooren geven); een pees(tje) was een flensje, thans in zuidndl. een slag, klap (Ndl. Wdb. XII, 911; 904); iemand eene wafel op zijne kaak geven (vgl. Jord. 396; Joos, 90: 'nen wafel met vijf putten geven); bl. 463: iemand eenige peren om zijn ooren geven (ook bij De Bo); bl. 478: iemand eene piewante draaien of geven; bl. 480: pillen met de vuist slaan of pillen geven; bl. 817: hij kreeg een vlaaitje, - een appelplamei, - een smoutpeer, - een toppeer (Ons Volksleven IV, 33), een kneutelpeer (vgl. knoterpeer in Tijdschr. XXI, 89), grolpeer (Waasch Idiot. 268 a; 355 a); lange (of korte) haver (zweepslagen; Ndl. Wdb. VI, 148; V. Moerk. 15; Schuerm. Bijv. 115); bij Rutten, 110 a: de peerden kemp voeren; 311: iemand een pax-tecum geven; Schuerm. 684 a: stokmans haver; Joos, 107: haver uit de flesch of de mouw geven; iemand handgeld, voetgeld geven (Taal en Letteren II, 165): iemand zijn schuurwater geven, streng berispen (Waasch Idiot. 589); een zuur saus (over zijn patatten) krijgen (berispt worden; Antw. Idiot. 2179; Waasch Idiot. 770); iemand een mossel geven (Antw. Idiot. 835; iemand een sigaar geven (Eindhoven); vgl. verder nog iemand een beschuitje, een knabbelbeschuitje geven, of iemand beschuitjes voeren; fri. in ljirrebak jaen, een beschuit met rookvleesch geven, wat in Zuid-Nederland heet iemand een dreupelke schenken (Teirl. I, 366) en waarmede te vergelijken is een bakte (kniekitteling) kunnen verdragen (Teirl. I, 95Zie nog andere uitdrukkingen bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, VIII, 22.); van de taart geven; iemand een peer geven (Claes, 181); en de uitdr. hoe smaakt je die peer, - die pruim (17de eeuw: hoe monden u die vijgen?); een streek of een veeg uit de pan geven (Winschooten, 245 en 299); iemand zijne koolkant (snede brood met kool) breiden (Tuerlinckx, 388); iemand eene botering (zie Antw. Idiot. 282), koeken (bl. 685), pale (pannekoek) geven (Loquela, 377), kerzen krijgen (Antw. Idiot. 641); stevens broot (steenen, steenigingTaal en Letteren IX, 547.), berkenstruivenTrou m. Bl. 58. geven; koek met bloem krijgen (Antw. Idiot. 1831); iemand salade geven (Volkskunde X, 18); een santekwant geven (Ndl. Wdb. XIV, 96); pruttelmous kriegen, bekeven worden (Molema, 556 a); kropsalade (verdriet; Waasch Idiot. 565; Schuerm. 301 b); iemand knoflook (Sewel), klompzak (Halma), geven; iemand een berkemot (peer) om zijne ooren geven (Antw. Idiot. 212); iemand een flens geven (Boekenoogen, 211); kneukelvet, - zeep (Waasch Idiot. 354 b) geven; Halma II, 371: muilschellen (vgl. hd. Maulschelle); fri. hy kriget rizenbrij (van berkenrijs) mei hjitte poffen of mei bret flêsk, hij wordt gegeeseld en gebrandmerkt; immen in brouwing, ribbesmoar mei pynoalje, toffelsmots (pak slaag met een pantoffel) jaen; enz. In Groningen: iemand 'n bukken zunder groat, 'n peer, 'n petoater geven (Molema, 61 b; 465 b; 533 a). In het Fransch kent men: manger des poires d'angoisse, subir de creuls traitements; eng. to get beans (een standje). Vgl. voor het hd. Maulbeere en verder Schrader, 503 vlgg.; Korrespbl. XXXIV, 9; Seiler, 172 vlgg.; zie verder Nyrop, 26-27; Van Helten, Proeven van Woordverklaring, 7, en zie no. 1234.

2194. Er loopt eene streep (of streek) door.

l. Aan een weefsel-

Dit wordt van iemand gezegd, die eenigszins in zijne hersenen gekrenkt is, wien het een weinig in zijne bovenverdieping scheelt. Hoogstwaarschijnlijk is deze zegswijze ontleend aan het weven; vgl. mnl. stripe, strepe, een verkeerde, minderwaardige draad in ongeverfde witte of grauwe stof (vgl. het hedendaagsche: er loopt een katoenen draad door, in eigenlijken zin; bij Campen: een quade stripe in een goet laken; Harrebomée I, 41: Een kwade streep in een mooi kleed). Aan een weevsel, waardoor zulk een streep liep, haperde iets; dat was niet zuiver, niet in orde. Zie Tuinman I, 37: Hy heeft een streep door zyn herssens, zo dik als een kabeltouw; Sewel, 764: Ik ken hem, daar loopt een streep door, I know him, he has a weak place in his head; he is a little crackbrained; daar loopt met hem een streek door (hy is de sneedigste niet); Halma, 620: Daar loopt eene streep door, hij heeft eenen slag weg; II, 287: Avoir l'esprit en écharpe, être un peu fou, eene streep in 't verstand hebben, half gek zijn; Harreb. I, 306 b; Geel, Sentim. Reis, VII: Mijnheer, zei de uitgever telkens, onder het drukken, gij hebt een streep vergeten - In 's hemels naam, Mijnheer de Uitgever, als er maar geen streep door loopt; Nw. School, I, 160; fri. der rint by him in streekje troch; Afrik. hy het 'n streep. Niet te vergelijken is het Zuidndl. 'en schreef, 'en streep, 'en vèeg weghebben, niet wel wijs zijn, zinneloos zijn; ook: dronken zijn; vgl. hd. einen Streich (oder Strich) zu viel oder zu wenig haben, dronken zijn, niet wel bij zijn verstand zijn.

2290. Zijne trekken (troeven of streken) thuiskrijgen,

d.w.z. op zijne beurt er inloopen; zijn loon krijgen (voor den trek, dien men een ander gespeeld heeft); mnl. sijn deel doen. In de 18de eeuw o.a. aangetroffen in het Boere-krakeel, 90:

 Me dunkt, maet Kees, jy krygt de trekken,
 Die je uitgedeeld hebt, schoon weer t'huis.

Zie ook Harrebomée I, 342 b; Handelsblad, 28 Januari 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 5: Omdat men er over verheugd is dat de Duitschers na hun aanval op de ‘versterkte’ Noordzeeplaatsen hun troeven hebben thuis gekregen; Nederland 1914, II, bl. 26: Heel goed, als de Ongure zijn streken eens thuis gekregen had; Ibsen, Een vijand van 't volk (Wereldbibl.), bl. 36: Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. In Twente: zine strekke thoes krîgen; gron. dat komt hom thoes, hij krijgt nog eens loon naar werken (Molema, 569); Joos, 73: de geleende broodjes zullen weerkeeren; fri. syn brea (brood) thus krije; vgl. hd. heimkommen; eng. to bring (or to thrust) home; his chickens came home to roost.

2476. Een vos verliest wel zijne haren maar niet zijne streken,

d.i. al wordt men ouder, toch verliest men niet zijn aangeboren aard; immers het is lichter oude schoenen te verwerpen dan oude zedenSart. II, 7, 90; Cats I, 409; Tuinman II, 90; Harreb. II, 254 a.; de oorspronkelijke neigingen komen altijd weer boven; ‘'t wordt in 't bijzonder toegepast op mannen die, schoon reeds oud zijnde, nog veel van het vrouwelijk geslacht houden’ (Molema, 232 a). Reeds bij de klassieken is dit spreekwoord bekend geweest, blijkens Apost. 12, 66: ο, λυκος την τριχα, ου την γνωμην αλλαττει; Suet. Vesp. 16: proclamaverit vulpem pilum mutare non mores (Otto, 379; Journal, 391; Bebel, 441); zie verder Mergh, 11: de wolf verandert zijn hayr, maer niet zijn aerdZie mlat. raro mascuescit lupulus, quicunque senescit (Werner, 84); Servilius, 145: de wolf verandert syn haer, maer niet synen aert; Cats I, 460: de wolf ruyft van baert maer noyt van aert; Harreb. I, 5 a.); Huygens VI, 161:

 Al wisselt schoon de vos sijn vel,
 De vossen aert blyft evenwel.Vertaling van het Sp. el pelo muda la raposa, mas el natural no despoja.

Harrebomée I, 268 b; Van Eijk II, 93; Taalgids IV, 261; Molema, 232 a; Eckart, 131; fri. de foks forliest syn hier wol, mar syn streken net naast in aep mei syn stirt forlieze, syn kueren net; Rutten, 268 a: een vos verliest wel zijn haar, maar zijne perten niet; Antw. Idiot. 1402; hd. der Fuchs wechselt das Haar und bleibt wie er war (Wander I, 1243); fr. le loup mourra dans sa peau; eng. the fox may grow gray, but never good; de. Raeven forandrer vel sit Skind, men ikke sit Sind.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut