Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strand - (vlakke oever)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

strand zn. ‘vlakke oever’
Mnl. Oock sullen sy alle den zeestrandt vry hebben in den rijcke tot Denemarken ‘ook zullen zij heel het kustgebied in het rijk vrij hebben tot aan Denemarken’ [1368; MNW], Si worden enen strant gheware, die een over hadde ‘zij werden een baai met een strand gewaar’ [1399; MNW-P]; vnnl. De strande, den oeuer aen zee [1567; Nomenclator, 442a].
Mnd. strant, strande ‘strand’ (en door ontlening nhd. Strand); oe. strand ‘id.’ (ne. vero. strand); on. strönd ‘rand, kust’ (nzw. strand ‘strand’); < pgm. *stranda-, *strandu- ‘strand’. Daarnaast ablautend on. strind ‘kant, strook’ (nno. dial. strind). Ontleend aan een Germaanse taal zijn: Picardisch étrain ‘strand’, Fins ranta ‘oever, kust’.
Verdere herkomst onduidelijk. Men beschouwt het woord meestal als Germaanse afleiding van de wortel pie. *sterh3- ‘zich uitstrekken’, zie → straat (FeW, Toll., Pfeifer, Kluge21, BDE, Hellquist). NEW noemt in dit kader ook Oudiers srath (< *strato-) ‘strand’, maar dat woord betekent ‘vallei, grasveld’ en is een onafhankelijke afleiding van dezelfde wortel. Dat laatste geldt ook van Oudkerkslavisch strana (< *storna-) ‘kant, land, gebied’. NEW benadrukt dat niet de uitgestrektheid kenmerkend is voor een strand, maar het feit dat het strand een scheidingslijn is, en veronderstelt voor het Germaanse woord verwantschap met → straal 1. Kluge meent dat het Nederlandse en het Nederduitse woord via het Oudengels zijn ontleend aan het Oudnoords en denkt dan aan een variant met anlautende s- van → rand; de variant strind pleit voor deze verklaring, vergelijk ook Hoogduits Rinde bij rand.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

strand* [kustgebied] {strant 1368} middelnederduits, middelhoogduits strant, oudengels strand [oever], oudnoors strǫnd [rand], naast ablautend strind [zijde], van een i.-e. stam met de betekenis ‘uitbreiden’, waaruit latijn sternere [uitspreiden, effenen], stramen [stro], grieks stornumi [ik spreid, breid uit], oudkerkslavisch strěti [uitspreiden], oudindisch stṛṇāti [hij spreidt] (vgl. strooien).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strand znw. o., mnl. strant m. ‘strand, zeearm’, Kiliaen strande (Sax. Sicamb.), mnd. laat-mhd. strant, m., oe. strond o. (ne. strand) ‘strand, oever’, on. strǫnd v. ‘strand, kust’, waarnaast abl. on. strind ‘kant, zoom; land’, nnoorw. strind ‘strook, kant’. — Zie ook: strang 1.

E. Schröder Nachr. AW Göttingen 1941, 294-296 wil alle westgerm. woorden uit het skand. afleiden, wat onzeker moet blijven. — Men vergelijkt oiers srath (< *stratu) ‘dalgrond, strand’, osl. tratu ‘hoop’, lit. trenta ‘plaats, streek’, maar ook oiers tret ‘kudde’ en verbindt deze woorden met de idg. wt. *ster ‘uitbreiden, vgl. oi. stṛnáti, stṛnoti ‘strooit, bestrooit, gr. stórnumi ‘bestrooi, breid uit’, lat. sternō ‘strooien, verspreiden’, oiers sernim ‘uitbreiden’ (IEW 1030). Maar het strand is niet een zich uitbreidende vlakte, ook al kan dit aan onze kusten bij eb wel het geval zijn, maar veeleer een scheidingslijn en op deze bet. wijzen ook de ablautsvorm on. noorw. strind. Dan moet men dus eerder uitgaan van de wt. *ster ‘streep, strook’, waarvoor zie: straal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

strand znw. o., oudnnl. m. v. o., Kil. strande (“Sax. Sicamb.”), mnl. strant m. “strand, zeearm”. = mnd., laat-mhd. (md.) strant (d, nhd. strand) m., ags. strond o. (eng. strand) “strand, oever”, on. strǫnd v. “id., rand, zoom”: met ablaut on. strind v. “zijde”. Uit ’t Germ. fr. estran “strand”. Ingenieus, maar wegens de bet. niet meer dan een onzekere mogelijkheid is de combinatie met lat. frons (-tis) “voorhoofd” (lat. fr-, germ. str- uit idg. sr-): de uitdrr. frons Italiae, frons litorum bewijzen niets voor de grondbet. van frons. Gew. leidt men strand af van de basis sterā̆x- “uitspreiden”, waarvan ook ier. srath “strand, oever, dal”, obg. strana “zijde” (formantisch vgl. ohd. stirna, nhd. stirn v., Teuth. sternne “voorhoofd”, mnl. sterre “bles”, nog in zuidndl. diall. ster(re) “(voor)hoofd”, kymr. sarn “geplaveide bodem”, gr. stérnon “borst”, alle oorspr. = “het vlak, plat uitgespreide”, oi. stîrṇá- “uitgespreid”), verder obret. strouis “stravi”, lat. sterno “ik spreid, gooi neer”, gr. stornūmi, strōnnūmi “ik spreid”, obg. stĭrą, strěti “strekken”, lit. strãja “paardenstal met op den bodem uitgespreid stroo”, alb. štriń “ik breid uit”, oi. stṛṇóti, stṛṇā́ti “hij strooit, gooit neer”. Zie nog straal, stro, strooien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rand. Men heeft ook aan verwantschap met strand gedacht (idg. wisseling sr-/r-): zo Lindqvist PBB. 43, 101 vlg. Niet waarschijnlijk; zie strand.
Bij ags. rima, reoma ‘rand, kust’, on. rimi ‘heuvelrug’ ook on. rim v. ‘spijl’, gron. overijs. rim ‘richel’, ofri. (weter-)rim ‘waterrand’, fri. oostfri. rim ‘plank, dwarshout, latwerk’.
Slot: het lit. woord voor ‘zoom, opnaaisel’ is rum̃bas.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

strand o., Mnl. strant + Ags. strand (Eng. id.). On. strand (Zw. en De. strand) met de bet. vlakte bij ster 2 Hieruit Hgd. strand en Fr. estran. Vla., Mnl. stranghe behoort bij streng 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strand ‘kustgebied met zand’ -> Duits Strand ‘kustgebied met zand’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans estran ‘gedeelte van het strand, tussen eb en vloed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

strand* kustgebied met zand 1368 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

138. Een schip (of een wrak) op strand, een baken in zee.

Wanneer een schip ergens gestrand is, dan weet een andere schipper, dat die plaats moet worden vermeden als gevaarlijk. Vandaar wil deze spreekwijze bij overdracht zeggen: men leert zich in acht nemen door het ongeluk van anderen te zien, men spiegelt zich zacht aan een ander. Vader Cats I, 637 a zegt dit in de volgende woorden:

 Een schip, op 't droogh gezeylt, dat is een zeker baken.
 En 't is, na mijn begrijp, geen onvoorsichtigh man,
 Die op eens anders feyl de sijne toomen kan.

Zie ook Smetius, 18: De beste baken in see, is een schip op droogte; Winschooten, 11: Een wrak is een baak in See, dat is, een Schip, dat vergaan is, vermaand de schippers, dat sij haar naarstelijk moeten wagten voor diergelijk ongeval; Tuinman I, 150; Harreb. I, 24 a; Ndl. Wdb. II, 878.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut