Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stram - (stijf)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stram* [stijf] {ca. 1550} middelnederduits stram; behoort bij stremmen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stram bnw. eerst sedert Kiliaen, mnd. stram ‘strak, stijf, gespannen’, nhd. stramm (sedert 1810; maar blijkens zwits. stramm ‘straf’ behoeft het niet aan het nnd. ontleend te zijn). Men kan verder vergelijken on. strambr in hafstrambr ‘walvissoort’, vgl. nog nijsl. stremba ‘zich opdringen’, nnoorw. stremba ‘spannen’. — lit. strampas ‘knuppel’ en dus een afl. van de onder star behandelde idg. wt. *ster. — Zie ook: stremmen.

De -mm- is zeker secundair, vgl. de dubbele cons. in de gelijksoortige strak en straf. Het is beter voor dit laat optredende en zeer beperkt voorkomende woord geen idg. grondvorm te construeren, maar te denken aan een spontane schepping naast de bovengenoemde synoniemen. Overigens zou gr. sterémnios ‘hard, vast’ een verlokkelijk aanknopingspunt vormen (vgl. Persson, Beitr. z. idg. Wortf. 430).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stram bnw., sedert Kil. = mnd. stram (mm) “strak, stijf, gespannen” (nhd. stramm), in den Teuth. de afl. strammen “stijf zijn of worden”. Of uit *straƀma- en direct met straf I verwant (vgl. dan ook * stramƀa-, waarvan noorw. dial. stremba “uitspreiden, uitstrekken” een afl. is), òf met secundaire mm van een germ. stam *strama-, idg. *stro-mo-, hoogerop met straf I verwant. Hierbij ook hagelandsch, Kemp. straam “striem”? Van stram ’t ww. stremmen, door Kil. in de bet. “coagulari” als “Hol. Fris.”, in de bet. “sistere, restinguere: cohibere” als “Fland.” opgegeven, in de laatste bet. al mnl.-vla. — stremsel znw. o. Reeds mnl. (Bienboec) en mnd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stram. Als de mm “secundair” is, is hij met de kk van strak (zie ald. Suppl.) te vergelijken.
Met Hagel. Kemp. straam ‘striem’ vgl. Kil. strame ‘striem’. Wellicht bij mhd. strâm ‘stroom, streep, straal’ (zie straal) of kruising van een hiermee identisch woord met striem.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stram bijv., Mnl. id. + Ndd. id., Hgd. stramm: misschien uit *straƀm- z. straf 2

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

stram

Een stramme Pruis.’ (Van Dale)

De puristen beschouwen stram in de betekenis van ‘straf, flink, afgemeten in zijn beweging’ als een germanisme (D. ‘stramm’). Volgens hen kan stram in het Nederlands slechts betekenen ‘stijf, verstijfd’(‘stramme leden’).

Het WNT en Van Dale zijn het daarmee eens. Tot aan het begin van de jaren ’70 keurde ook Koenen het germanisme af. Nu echter vermeldt hij nog maar de Duitse afkomst in deze betekenis. De meeste andere woordenboeken maken er helemaal geen bezwaar tegen.

Samenvattend kunnen we zeggen dat stram in de zin van ‘straf’ sinds de vorige eeuw in het Nederlands voorkomt. In de woordenboeken vindt men het pas sinds de jaren ’40. Het wordt nog niet unaniem aanvaard maar de ontwikkeling bij Koenen schijnt op een zekere inburgering te wijzen. Dit betekent echter niet dat stram zeer gebruikelijk zou zijn.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stram ‘afgemeten in zijn bewegingen’ (Duits stramm)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stram bet. oorspr. stijf, bijv. stramme leden; vandaar: stremmen (van melk): stijf, dik worden; het verkeer stremmen = als ’t ware doen verstijven, belemmeren (van lam), doen stilstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stram ‘stijf’ -> Deens stram ‘strak, gespannen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stram ‘stijf, strak’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stram stijf 1550 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut