Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

straf - (maatregel tegen overtreding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

straffen ww. ‘een overtreding vergelden’
Mnl. straffen ‘tegenspreken, aanvechten; beschuldigen’ in Ic straffe haer woerde, ic en machs niet horen ‘ik spreek haar woorden tegen, ik kan ze niet aanhoren’ [1400-20; MNW-R], den onse Here straffede van ypocrisien ‘onze Heer beschuldigde hem van schijnheiligheid’ [1409; MNW-P], ic straffe oec alle dat quaet is ‘ik weerleg ook alles wat verkeerd is’ [1430-50; MNW-P], ‘vergelden, straffen’ in so sal men dieghene die om ... mysdaden ... in onser stat gevencknysse gebracht werden, straeffen ende corrigieren tot guetduncken burgermeistere ‘voorts zal men degenen die vanwege misdaden in onze stadsgevangenis worden gebracht straffen en corrigeren’ [1471; MNW].
Mnd. straffen, strafen ‘berispen’ (vanwaar door ontlening nde. straffe, nzw. straffa); mhd. strāfen ‘id.’ [eind 12e eeuw; Gärtner]; ofri. straffia (nfri. straffe); in alle talen aanvankelijk ‘berispen, tegenspreken’, later ‘een overtreding vergelden’. Hierbij hoort ook het ongeveer even oude zn. mhd. strafe ‘berisping’ [1276-76; Gärtner], dat wrsch. van het werkwoord is afgeleid, hoewel de omgekeerde afleidingsrichting ook mogelijk is. Hiermee corresponderende zelfstandige naamwoorden in de andere talen zijn veel jonger en zijn dus zeker deverbatief (zie onder voor nnl. straf).
Herkomst onbekend. De onderlinge verhouding van de afzonderlijke continentaal West-Germaanse woorden is onzeker, maar men neemt meestal aan dat de Hoogduitse vorm oorsponkelijk is en de overige ontleend zijn. Men kan dan een grondvorm pgm. *strēpōn- reconstrueren, maar verdere aanknopingspunten blijven onzeker. Mogelijk is mnl. strepen in loghenstrepen ‘(iemand) van leugens beschuldigen’ verwant, hoewel de stamklinker niet overeenkomt. Verband met → stropen (WNT) is qua betekenis mogelijk, maar eveneens onzeker.
straf zn. ‘vergeldingsmaatregel wegens overtreding’. Vnnl. straffe ‘id.’ [1542; Dasypodius], in de doodt is ... een straffe der sonden [1557; WNT], op pene van exemplaren straff ‘op straffe van een tot voorbeeld dienende straf’ [1567; WNT], Uyt vreese van in de straf des wets te vallen ‘uit angst de wettige straf te krijgen’ [1603; WNT]. Afleiding van straffen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

straf1 [maatregel tegen overtreding] {straf(f)e [straf] 1557, vgl. straffinge [het laken] 1458} < middelhoogduits strafe, middelnederduits straffe, naast het ww. straffen, middelhoogduits strafe, naast het ww. strafen, oudfries straffia; het zn. gevormd van het ww., dat mogelijk van het bn. straf2 is gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

straf 1 znw. v., sedert Kiliaen bekend, mnd. straffe v. ‘berisping, straf’ naast mhd. strāfe v. (nhd. strafe). Dus naast elkaar vormen met ƒ en ff, waarvan de eerste hd. is (daaruit nnl. dial. (maastrichts) strāve). Het woord schijnt op hd. bodem omstr. 1200 ontstaan te zijn en zich vandaar te hebben verspreid. — Zie: straffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

straf II, straffe znw., sedert Kil. bekend. = mnd. straffe v. “berisping, straf”. Bij ’t ww. mnl. straffen (nnl. straffen), mnd. straffen, ofri. straffia “berispen, bestraffen”. In gelijke bet. ’t mhd. znw. strâfe v. resp. ’t ww. strâfen (nhd. strafe, strafen; mhd. ook met pf). De onderlinge verhouding der hd. en ndl.-ndd.-fri. vormen staat niet vast; evenmin de grondvorrn. Blijkbaar hebben we met een door ontl. verbreid woord te doen. De ndl. dial. vormen strave, straven (o.a. Maastr.), reeds mnl. (ook straeffen), zijn wsch. als een ontl. uit de hd. vormen met lange vocaal en enkele consonant op te vatten. De Teuth. vermeldt straffen en straiffen. Misschien bij straf I. Anderen combineeren ags. ðrafian “aandrijven, berispen” (hierbij wsch. got. þrafstjan “troosten”; de combinatie met lat. trepit “vertit”, gr. trépō “ik wend”, oi. trápate “hij schaamt zich” is zeer onzeker wegens de bet.). NB. Als ontl. uit ’t Eng. in de ME. niet zoo’n uiterst zeldzaam verschijnsel was, zou ’t voor de hand liggen, het zoo laat optredende en formeel zoo vreemde mnl., mnd. straffen enz. uit ags. ðrafian af te leiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

straf 1 v. (vergelding), Mnl. straffe, uit Mhd. strafe (Nhd. id.): oorspr. onbek., komt elders niet voor; den Ndl. vorm vindt men in Mnl. logenstrepen; vergel. treffen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

straof (zn.) straf; Nuinederlands straffe <1542>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

straf (de, -fen), (i.h.b.:) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De versbakken* officier van justitie mr. S. Punwasi eiste drie maanden straf en intrekking van het rijbewijs voor de tijd van een jaar (DWT 24-3-1981). - Zie ook: gestrafte*.
— : op straf, gestraft, i.h.b. met gevangenisstraf. Dat ik geen vrouw, geen kinderen heb, komt door één ding: ik ben op straf geweest. Ik... ik heb me broer dood gemaakt (Cairo 1980c: 391). - Etym.: Zie straf*.
— : op straf zetten (zette, heeft gezet), straf geven. Ik moet je eigenlijk op straf zetten, vanavond, maar ik zal over mijn hart strijken (A&P 1980a: 5).
— : niet op straf zijn (was, is geweest), (fig.) het zich kunnen veroorloven zonder schuldgevoel, bijv. als men zichzelf trakteert. Ik neem nog een ijs*, ik ben niet op straf toch*?

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

straf (Duits Strafe)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

straf ‘maatregel tegen overtreding’ -> Deens straf ‘maatregel tegen overtreding’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors straff ‘maatregel tegen overtreding’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch štraf ‘maatregel tegen overtreding’ (uit Nederlands of Duits); Bulgaars štraf ‘maatregel tegen overtreding’ ; Oekraïens štraf ‘maatregel tegen overtreding’ ; Indonesisch setrap, strap ‘maatregel tegen overtreding’; Jakartaans-Maleis seterap, setrap ‘maatregel tegen overtreding’; Javaans setrap ‘maatregel tegen overtreding’; Kupang-Maleis strap ‘maatregel tegen overtreding’; Madoerees sēttrap ‘maatregel tegen overtreding’; Makassaars nisitarấ ‘gestraft (op school), niet uit mogen gaan (van vrouw)’; Makassaars sitarâpang ‘gestrafte, tot gevangenisstraf veroordeelde’ ; Makassaars sitarấ, sitarā̂p ‘maatregel tegen overtreding’; Soendanees sĕtrap ‘maatregel tegen overtreding’; Negerhollands straaf ‘maatregel tegen overtreding’; Papiaments straf ‘maatregel tegen overtreding, vooral bij kinderen’; Sranantongo strafu (ouder: strafe) ‘maatregel tegen overtreding’; Saramakkaans sitaáfu ‘maatregel tegen overtreding’; Surinaams-Javaans setrap, strap ‘maatregel tegen overtreding’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

straf. Een correspondent schrijft:

Aangehouden halverwege tussen Moskou en Sint-Petersburg voor te snel rijden, wees de diender door het portierraam naar de kilometerteller en maakte duidelijk dat ik voor te snel rijden štraf ofwel een boete kon krijgen.

Het is niet helemaal zeker of het Russische štraf 'boete' (niet 'straf') ontleend is aan het Nederlands of aan het Duits. Misschien lijkt het vanwege de medeklinkercombinatie št- waarschijnlijker dat het Duits de bron vormt - in het Duits spreekt men het woord immers als /sjtraf/ uit. Toch zegt die Russische medeklinkercombinatie niets, want ook Nederlandse leenwoorden met st- worden soms in het Russisch gespeld als št-, vergelijk števen' en šturman naast stapel' 'stapelplaats' en strop. Wel is het inderdaad zo dat álle Duitse leenwoorden op st- in het Russisch de medeklinkercombinatie št- hebben, zie wat hierover gezegd wordt onder stoel. Op grond van de beginklank van štraf valt dus niet uit te maken aan welke taal het Russische woord is ontleend, maar de ouderdom van het woord doet de balans doorslaan naar het Nederlands: het woord is namelijk geleend in de periode van Peter de Grote - het is voor het eerst gevonden in 1718. En in die periode hadden de Russen contact met de Nederlanders en nauwelijks met de Duitsers. Het Russische woord is doorgeleend aan het Oekraïens en Bulgaars.

Gezien het feit dat de Nederlanders lange tijd de wet uitmaakten in Indonesië, ligt het voor de hand dat diverse Nederlandse juridische termen in het Indonesisch zijn overgenomen. Een daarvan is straf. In het Indonesisch luidt dit strap, met als afleiding menyetrap 'straffen'. (Zie ook haatzaaien.) Ook op de Nederlandse Antillen en in Suriname, waar het Nederlandse rechtssysteem van kracht is, is het woord straf overgenomen. In het Sranantongo betekent strafu zowel 'straf' als 'straffen' (koti strafu is 'gevangenisstraf krijgen, een straf uitzitten'), terwijl in het Papiaments straf vooral gebruikt wordt tegen kinderen: na straf is 'voor straf'. Ook spreekt men in het Papiaments van strafwèrk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

straf maatregel tegen overtreding 1542 [Claes Tw. 12] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut