Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

straat - (weg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

straat zn. ‘verharde weg; zee-engte’
Onl. strāta in jn ne te fuor fan straton iro, prisma in Losunga ‘en woeker en bedrog gingen niet weg uit haar straten’ [10e eeuw; W.Ps.], stenstrata (samenstelling) ‘steenstraat’ [1124; ONW]; mnl. strate ‘straat, plein’ [1240; Bern.]; vnnl. ook ‘zee-engte’ in Eer dat ghy de Straet ofte Cannael in loopt ‘... vaart’ [1595; iWNT].
Ontleend aan Latijn strāta ‘geplaveide weg’ [ca. 330; FEW], verkorting van via strata, met daarin het vrouwelijke verl.deelw. van sternere in de betekenis ‘plaveien, effenen’, bij algemener ‘bestrooien, bedekken, uitspreiden, neerleggen’, zie ook → consternatie. De ontlening moet vóór de 6e eeuw hebben plaatsgevonden, omdat vulgair-Latijnse intervocalische -t- later in -d- overging, zoals o.a. in Italiaans strada ‘straat’, Oudfrans estree, welke laatste nog als estrée voortleeft in talrijke plaatsnamen, waaronder West-Vlaams Streie (Sint-Denijs).
Evenzo ontleend zijn: os. strāta (mnd. strate); ohd. strāza (nhd. Straße); ofri. strēte (nfri. strjitte); oe. strǣt (ne. street; door ontlening on. stræti, (nde. stræde)). Zo ook in het Keltisch: Middeliers srāt, Welsh ystryd.
Latijn strātum en sternere zijn afgeleid van de wortel pie. *sterh3- ‘uitspreiden, verspreiden’ (LIV 599), waarbij verder o.a.: Grieks stornúnai ‘uitspreiden, strooien’; Sanskrit strṇāti ‘verspreidt’, Avestisch stərənāiti ‘id.’; Oudkerkslavisch pro-strěti ‘uitspreiden’; Oudiers -sernat ‘verspreid’; Albanees shtrin ‘id.’. Wrsch. niet verwant met → strooien.
Het woord betekent in de Romaanse en Germaanse talen van oudsher ‘geplaveide weg, verharde weg’, in contrast met een via (Italiaans via, Frans voie, enz.). Ook in het huidige Nederlands is een straat vrijwel altijd verhard. Taalkundig komt dat duidelijk naar voren in de samenstelling straatweg (voornamelijk in NN straatnamen) ‘verharde verbindingsweg tussen steden, dorpen, buurten enz.’ en in de afleiding bestraten ‘plaveien’.
In het Middelnederlands komt het woord ook wel voor met de overdrachtelijke betekenis ‘(morele, ethische e.d.) handelswijze’, maar gebruikelijker was en is daarvoor het woord → weg 1.
Straat ‘zee-engte’ is oorspr. een ander woord, namelijk een ontlening aan Engels strait ‘id.’ [1375; OED], het zelfstandig gebruikte bn. strait ‘nauw’, Middelengels streit, ontleend aan Oudfrans estreit ‘id.’ (Nieuwfrans étroit), ontwikkeld uit Latijn strictus ‘strak, compact’, zie → strikt. In het Nederlands werd het woord volksetymologisch vereenzelvigd met het bestaande woord straat, dat een gemeenschappelijk betekeniselement ‘verbindingstraject’ heeft.
Lit.: F. Debrabandere (1993), ‘Van (via) strata tot Streie’, in: De Leiegouw 35, 71-74

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

straat1 [weg] {strate 1210-1240} < latijn (via) strata [geplaveide (weg)], via [weg], strata, vr. verl. deelw. van sternere [uitspreiden, effenen, plaveien] (vgl. strooien, strateeg, stratosfeer).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

straat znw. v., mnl. strâte v., onfrank. strāta, os. strāta, ohd. strāʒa (nhd. strasse), ofri. strēte, oe. stræt (ne. street); daaruit ook on. stræti (maar mogelijk ook uit ofri., zie Wadstein, Norden och Väst-Europa 1925, 146). — Een ontlening in de 5de eeuw (althans voor de verzachting van intervoc. t in het romaans, vgl. ital. strada, spa. estrada) < laat-lat. (via) strāta ‘geplaveide weg’, waaruit eveneens oiers srāth.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

straat znw., mnl. strâte v. = onfr. strâta, ohd. strâʒa (nhd. strasse), os. strâta, ofri. strête, ags. stræ̂t (eng. street) v. (on. stræ̂ti o. uit ’t Ags.) “straat, weg”. Oude ontl. uit later-lat. strâta (scil. via, eigenlijk “geplaveide weg”). Hiervan ook ier. srât “straat”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

straat v., Mnl. strate, Onfra. strâta, gelijk Hgd. strasze, Eng. street, uit: Mlat. stratam(-a), zelfst. gebr. vr. v.d. van Lat. sternere = strooien (z.d.w.), plaveien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

straot (zn.) straat; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) straot, Aajdnederlands strata <901-1000> < Latien strata.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Straat snw., Segsw.: Die straat meet, oor die straat slinger van dronkenskap. – Eweso Corn. & Vervl. 1896, Joos 434, Schuermans 687 (Vlaams). By Harreb. II, 9: Hij speelt den landmeter.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

straat 'doorgaande weg, verbindingsweg'
Onl. strata, mnl. straete 'straatweg', ofri. strête, nfri. strjitte, os. strâta, mnd. strate, ohd. strâza, oe. stræt, alle teruggaand op een verkorting van lat. via strata 'geplaveide weg'. De ontlening vond plaats voordat in het Romaans de -t- overging in -d- (6e eeuw). De betekenis ontwikkelde zich in de middeleeuwen tot het meer algemene 'doorgaande weg, verbindingsweg'. Als toponiem komt het veel voor als grondwoord van langs doorgaande wegen uitgebouwde plaatsen, zogenaamde lintbebouwing. De naam gaat soms terug op nog door de Romeinen aangelegde verbindingswegen. Oudste attestatie in toponiemen: 1139 Lata Strata (de Bredestraat te Maastricht)1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 98.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

straat ‘weg’ (Latijn (via) strata)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

straatje. In Polletje Piekhaar [1935: 60] van Rotterdammer Willem van Iependaal stuiten wij op de verwensing val in mijn straatje! ‘voor mijn part kun je doodvallen, ik ben boos op je en minacht je’. → vallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

straat ‘weg’ ->? Deens stræde ‘steeg’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho setrata ‘weg’ ; Tswana seterata ‘weg’ ; Xhosa sitalato ‘weg’ ; Zoeloe sitaladi ‘weg’ ; Zuid-Sotho seterata ‘weg’ ; Indonesisch setrat ‘weg’; Ambons-Maleis strat ‘grote weg, straat’; Jakartaans-Maleis setrat ‘weg’; Keiëes strat ‘straat, grote weg’; Kupang-Maleis straat ‘weg’; Letinees sraata ‘weg’; Makassaars sitarấ ‘drukke straat’; Menadonees straat ‘weg’; Ternataans-Maleis straat ‘weg’; Negerhollands strāt ‘weg’; Sranantongo strati ‘weg’; Aucaans strati ‘weg’; Saramakkaans sitááti ‘weg’ ; Sarnami stráti ‘weg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

straat weg 1210-1240 [CG I1, 14] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

874. Langs 's heeren straten (of wegen) loopen,

d.w.z. langs den openbaren weg, op straat loopen, rondslenteren; eig. langs den weg van den landsheer loopen, den grooten weg, die onder bescherming van den vorst stond; vgl. Kil. heeren-straete, via regia, via consularis, praetoria; via publica. De Romeinen noemden den openbaren weg eveneens de via consularis; de Engelschen spreken van the Kings-, the Queens way; de Franschen van le chemin royal; être sur le pavé du roi; de Duitschers kennen hunne Königsstrasse, Königsweg, Kaiserstrasse, Kaiserweg, en de Denen spreken evenzeer van de kongevej. Zie Noord en Zuid XVIII, 477 vlgg.; Taal en Letteren XI, 503; Lat. Versch. 261; Ndl. Wdb. VI, 333; Westerbaen II, 267; Van Moerk. 417 ('s Heeren straten) en Halma, 209: 's Heeren straaten, les rues publiques d'une ville; 's Heeren wegen, openbaare wegen. In Zuid-Nederland onbekend.

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

2166. Men moet stegen voor straten kennen,

d.w.z. men moet onderscheid weten te maken tusschen menschen van verschillenden rang en stand of van verschillenden aard, en zich daarnaar schikken. Vgl. voor de 16de eeuw Sart. I, 2, 35: kent steghen voor straten, dat aldaar gelijkgesteld wordt aan ‘ghij moet rijden en omsien’; 7, 62: Hy weet goet ende quaet, hy kent straten voor stegen. Zie verder Cats I, 469; Gew. Weeuw I, 17; Verl. Soon, 36: Ick kan stegen voor straten; Tuinman I, 156; Archief IV, 27; W. Leevend IV, 38: Steegen uit straten kennen; Br. v. Abr. Bl. I, 296: Straaten uit steegen kennen; V. Janus, 7: Straaten voor steegen kennen; Halma, 618: Hij kent geen steegen voor straaten, hij maakt geen onderscheid van personen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut