Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

straal - (smalle lichtbundel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

straal 1 zn. ‘smalle lichtbundel; smalle vloeistofstroom’
Onl. strāla ‘pijl’ in an thesa strala ‘naar deze pijl’ [891-900; CG II-1, 39]; mnl. strael ‘pijl’ in strale ... van harden stale gemaect ‘(een) pijl, gemaakt van gehard staal’ [1260-80; VMNW], ‘angel’ in dese nebben strael negheen ‘deze (werkbijen) hebben geen angel’ [1287; VMNW], ‘gepunte ijzeren paal’ in ijseren stralen in der erden slaen [1486; MNW]; vnnl. ‘smalle lichtbundel’ in sonnen strael, strael der sonne [1573; Thes.], strael ‘'de rechte lini die uyt het oogh comt’‘ ’de rechte lijn vanuit het oog (waarlangs men kijkt)‘ [1608; Stevin], ’snelle vloeistofstroom‘ in een groote beeck, verdeelt in kleyne stralen [1625; iWNT], dunne lode pijpjes, daer stralen uyt komen [1668; iWNT], ’radius, halve diameter‘ in de lijnen van 't middelpunt tot d'omtrek ... worden stralen, of halve middellijnen genoemt [1677; iWNT].
Os. strāla (mnd. strāl, strale, vanwaar door ontlening nzw. stråle); ohd. strāla (nhd. Strahl, voor de betekenis zie onder); nfri. striel; oe. strǣl; alle ’pijl‘, < pgm. *strēlō-. Het Germaanse woord is in het Italiaans ontleend als strale ’pijl‘. Zie ook → strelen.
Verwant met: Litouws strėlà ’pijl‘; Oudkerkslavisch strěla ’pijl, speer‘ (Russisch strelá). Verdere herkomst onbekend. Mogelijk zijn deze woorden onderling ontleend en/of, al dan niet gemeenschappelijk, ontleend aan een voor-Indo-Europese taal.
De oorspr. betekenis van dit woord is ’pijl‘ en bij uitbreiding ’angel of ander puntig wapen‘. Deze is volledig overgenomen door → pijl. De huidige, overdrachtelijke betekenis ’smalle lichtbundel‘ is zowel in het Duits als in het Nederlands veel jonger, maar treedt wel al vroeg op in enkele vaste verbindingen, bijv. Oudhoogduits donarstrāla ’bliksemschicht‘ en Middelnederduits wetterstral ’id.‘, stralen der sunnen ’zonnestralen‘. De betekenis ’snel voortgedreven vloeistofstroom‘ is nog jonger en bestaat ook in het Duits. De meetkundige betekenis ’afstand van het middelpunt van een cirkel of bol naar de rand‘ is uitsluitend Nederlands en is een leenvertaling van Latijn radius.
straal 2 bw. ’volkomen‘. Nnl. we zeilen straal in de wind (Zaanstreek) ’... recht tegen de wind in‘ [1897; WNT], iemand straal negeren ’... volkomen ...‘ [1903; WNT] en als eerste lid in straaldronken ’zeer dronken‘ [1913; WNT Aanv.]. Het zn. straal als bijwoord gebruikt. Bij de oudste attestaties kan men nog denken aan een oorspr. betekenis ’volgens een rechte lijn‘; in iemand straal negeren zou straal dan ’recht voor zich uitkijkend‘ kunnen hebben betekend. Als louter versterkend eerste lid in straaldronken is mogelijk gedacht een de kracht van een bliksemstraal (WNT); zie ook lamstraal onder → lam 2.
Lit.: S. Stevin (1608), Derde stuck der wisconstighe ghedachtnissen vande Deursichtighe, Leiden, 13

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

straal* [smalle lichtbundel] {strale, strael [pijl, angel, straal] 1263-1267} oudsaksisch, oudhoogduits strala, oudengels stræl [pijl]; buiten het germ. oudkerkslavisch strěla [pijl]; verwant met strelen. In straallazerus en straal negeren heeft straal- een versterkende functie die vermoedelijk is voortgekomen uit uitdrukkingen als straal in de wind [recht in de wind].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

straal znw. m. v., mnl. strael m. o., strâle v. ‘pijl, angel’, os. strāle v. ‘pijl’, ohd. strāla v. ‘pijl, bliksemstraal’ (nhd. strahl), oe. strœl m. v. ‘pijl’. Uit het mnd. zijn afgeleid nde. straale, nzw. strale ‘straal’, maar nnoorw. dial. straal o. ‘kleine, van een grotere uitgaande visschool’ is oorspr. noordgerm., vgl. straale ‘zich in kleine scholen verspreiden’ en nijsl. strajālast (met secundaire j) ‘zich verspreiden’. — osl. strĕla ‘pijl’. — Men moet uitgaan van een wt. *stral, waarnaast nnoorw. strīl, strīla ‘streep, ader, straal’, nzw. stril ‘kleine waterstraal’, strila ‘druppelen’, die wijzen op een nevenvorm met de klinker ei. — Zie ook: strelen.

Uitgaande van een idg. wt. *ster ‘strook, streep, straal’, die mogelijk identisch kan zijn met *ster ‘uitbreiden, uitstrooien’, kan men de volgende afl. noemen:
met m zie: straam
met nd zie: strand
met ng zie: strang 1.
verder
*strei en wel:
*streig zie: strijken
*streib zie: streep
*streu en wel
*streug zie: strook
*streub zie: stropen.
(Zie voor deze groep IEW 1028-9). — Wat de bet. ‘lichtstraal’ aangaat, merkt FT 1175 op, dat men niet van een mythologisch begrip van door een god afgeschoten pijlen zal moeten uitgaan, maar dat beide betekenissen uitgaan van ‘langs of over iets heenstrijken’

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

straal znw., mnl. strael m. o., strâle v. “pijl, angel”. [Het mnl. woord voor “straal” is raeye, van rom. oorsprong.] = ohd. strâla v. “pijl, bliksemstraal” (nhd. strahl m.), os. strâla v. “pijl”, ags. stræ̂l m. v. “id.”, noorw. dial. straal v. “kleine school visschen, die van een grootere afgaat”. Dit germ. *strêlô- is identisch met obg. strěla “pijl”. Wsch. met formans -lâ van een basis strê-, waarvan ook mhd. strâm m. “streep, straal, stroom” (in de laatste bet. ook mnd. strâm). Deze basis is niet te scheiden van de basis sterā̆x-, waarvan o.a. lat. sterno “ik spreid uit, gooi neer”, perfectum strâvî komen (zie strand). Zie nog strelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

straal m., Mnl. strael = pijl, angel, straal, Os. strâla + Ohd. id. (Mhd. strâle, Nhd. strahl), Ags. stræ´l + Osl. strěla = pijl en verder strooien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjtreel, zn.: borstel. D. Strähl ‘kam’, Mhd. stræl, Os. strâl ‘kam’. Os. strâlian, Ohd. strâlen ‘kammen’. Hetzelfde woord als Mnl. strael ‘pijl’ vanwege de scherpe punten aan de kam. Ndl. strelen gaat via de bet. ‘zacht vegen’ terug op de bet. ‘kammen’. Met een borstel wordt geveegd.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

straal, strel, straalder, straler, zn.: angel, steek (van bij, wesp). Ook Vlaams. Mnl. strael ‘pijl, angel’, Vnnl. strael, prickel ‘aguillon’ (Lambrecht), straele ‘werpspies, pijl’ (Kiliaan). Os., Ohd. strala ‘pijl’, Mnd. strale ‘pijl, angel van de bij’. Germ. *strêlô-, met l-suffix < Idg. *strê- < *ster- ‘schuiven, strijken, strelen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

strale zn.: angel, steek (van bij, wesp). Ook Vlaams straal. Mnl. strael ‘pijl, angel’, Vnnl. strael, prickel ‘aguillon’ (Lambrecht), straele ‘werpspies, pijl’ (Kiliaan). Os., Ohd. strala ‘pijl’, Mnd. strale ‘pijl, angel van de bij’. Germ. *strêlô-, met l-suffix < Idg. *strê- < *ster- ‘schuiven, strijken, strelen’. Straal ‘hoornstraal in paardenhoef’ is hetzelfde woord, vanwege de pijlvorm.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

straal (B, Dd, G, W, ZO), strale (L, ZV), zn. m.: angel, steek (van bij, wesp). Ook Wvl. Ook straalder (Dender), straler. Mnl. strael 'pijl, angel', Vnnl. strael, prickel 'aguillon' (Lambrecht), straele 'werpspies, pijl' (Kiliaan). Os., Ohd. strala 'pijl', Mnd. strale 'pijl, angel van de bij'. Germ. *strêlô-, met l-suffix < Idg. *strê- < *ster- 'schuiven, strijken, strelen'. Straal 'hoornstraal in paardenhoef' is hetzelfde woord, vanwege de pijlvorm.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjtrieël borstel (Kerkrade). Metonymisch = hgd. strähl ‘kam’. Wschl. ~ straal ‘pijl-punt’ ~ strelen, dal in ouder nl. in de vorm streden ook ‘kammen’ betekent.
Amkreutz e.a. 264, Kluge 754.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

straal 1, zn. o.: angel (van een bij, wesp). Mnl. strael ‘pijl, angel’, Vroegnnl. strael, prickel ‘aguillon’ (Lambrecht), straele ‘iaculum, sagitta’ (Kiliaan). Os., Ohd. strala ‘pijl’, Mnd. strale ‘pijl, angel van de bij’, Oe. streel ‘pijl’. Germ. *strêlô-, met l-suffix < Idg. *strê- < *ster- ‘schuiven, strijken, strelen’.

straal 2, zn. o.: ordinaal, bolle fles met water gevuld die de lichtstralen van de kaars of olielamp versterkte en zo de functie van vergrootglas vervulde voor de kantwerksters. Zelfde woord als straal 1. Uit de bet. ‘pijl’ ontwikkelde zich de bet. ‘bliksemschicht, bliksemstraal’, vandaar ‘lichtstraal’, vandaar ‘fles die de stralen versterkt’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

straal: (verouderd) kerel, vent. Wellicht verkort uit scheldwoorden zoals donderstraal*, lamstraal* en lazerstraal*.

‘De luie straal heeft die kaarten natuurlijk nog steeds vergeten te halen’, zei JeeCee. (Willem W. Waterman, Wie zei dat je in dezen tijd niet kon lachen? 1944)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

straal ‘straal van een cirkel’ (bet. van Latijn radius)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

straal ‘smalle (licht)bundel; halve diameter; veerkrachtig eeltweefsel aan paardenhoef in de vorm van een pijlpunt’ -> Fries straal ‘halve diameter’; Fries striel ‘smalle lichtbundel’; Engels † strall ‘smalle (licht)bundel’; Deens stråle ‘smalle (licht)bundel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stråle ‘lichtstreep; energiegolf; rechte lijn vanaf middelpunt in cirkel e.d.; dunne stroom vloeistof’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stråle ‘smalle (licht)bundel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect strål, stråte ‘vorkbeen van de voet van een paard’; Javaans setrali ‘petroleumlamp; halve diameter’; Papiaments stral (ouder: straal) ‘dunne stroom vloeistof, lichtstraal (verouderd)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

straal* smalle lichtbundel 1263-1267 [CG I1, 105]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2192. Straal

komt als versterking voor in straalbezopen, straalbezopen vet (in Nkr. IV, 8 Mei p. 6); straalvet (in Steijnen, Verbijsterden, 136), stomdronken, syn. van smoordronken, smoorvet (vgl. Rotw. 424: beschmort sein, betrunken sein; beschmortheit, betrunkenheit); verder in straalverkikkerd (in Lvl. 168); straal-malazeres sjikker (in Jodenh. 42). Ook komt straal alleen in den zin van stomdronken voor in Zondagsblad v. Het Volk, 1906 p. 13: D'r kerel was van de week ‘straal’ thuis gekomen; Menschenw. 472: Piet, die straal was, waggelde en boerde; bl. 29: Strak-an komp-ie thuis.... straal! Zondagsblad v. Het Volk, 1905 p. 47: Z'n gezicht vuurrood, z'n overhemd half open, z'n uniformbroek afgezakt, 't was 'n vertooning, die Bet de overtuiging schonk dat-ie of ‘straal’ of mal was. Vooral bekend is dit versterkend gebruik van ‘straal’ in de zegswijze iemand straal negeeren, doen alsof iemand in 't geheel niet bestaat; hem links laten liggen; vgl. Nkr. I, 4 Mei p. 6: Mijn onderdanen probeerden òf mij op den kop te zitten of negeerden mij straal; VII, 26 Juli p. 2; Het Volk, 10 Oct. 1913 p. 5 k. 4: Typeerend is het toch dat het brave N.O.G. dien wethouder nu hij sociaal-demokraat is, straal negeerde; 30 Mei 1914 p. 5 k. 3: De oberkellner, die mij twee achtereenvolgende ochtenden straal had genegeerd, voor wien ik niet bestond, maakte een diepe buiging; Handelsblad, 26 Aug. 1923 p. 7 k. 6: Een meer populair dan aesthetisch spreekwoord zegt dat er een voorzienigheid is voor dronken menschen. Pussyfoot Johnson ontkent het straal; Nkr. IX, 30 Oct. p, 2: Uw suikeroom die met al zijn verwanten is gebrouilleerd en die U in het bizonder steeds straal heeft genegeerd; Het Volk, 11 Oct. 1915 p. 5 k. 4: Maar de vader die van geen van die kerels ooit gehoord had, en àls-ie van ze gehoord had in elk geval ze straal-vergeten was. Straal kan deze versterkende beteekenis ontleend hebben aan een uitdr. als straal in den wind, d.i. vlak, recht in den wind; eveneens: Hij sprong em straal in zen gezicht. Ik gaf 'em 'en straal op zen oogen (Boekenoogen, 1022; 1362), waarmede kan worden vergeleken fri. strielrjucht, straalrecht, recht als een straal. De Duitschers kennen strahldumm, waarin strahl = bliksem; te vergelijken met bliksemsch dom?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal