Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

storten - (met geweld (laten) vallen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

storten ww. ‘met geweld (laten) vallen; uitgieten; betalen, overmaken’
Vnnl. sturten, storten (1236) ‘vergieten, uitstromen, instorten’, bltsturten (1270–1290) ‘bloedverlies’, Nnl. storten, zelden nog sturten. Oudere afleidingen: Mnl. strtkarre ‘mestkar’ (1270–1290), stortte ‘dunne metaalplaat’ (1477), sturtinghe ‘storting’ (1430–1450), Nnl. sturtebedde ‘stortbed, bekleding van de waterbodem’ (1567), stortregen (1511).
Verwante vormen: Middelnederduits storten, Oudhoogduits sturzen ‘vallen, neerstorten’, sturz ‘val, verandering’, Mhd. sturzen, stürzen, Mohd. stürzen, Oudfries stirta, sterta ‘vallen; omstoten; gieten’ (MoWF stoarte is uit het Nederlands ontleend), Oudengels *styrten ‘opspringen’, alle uit WGm. *sturtjan-. Zowel *stürt- als *start- in Middelengels sterten, stirten, starten ‘plotseling bewegen, haasten, storten, wakker worden’, stert, start ‘ogenblik’, MoE to start ‘opspringen; opjagen’, en iteratief *startlōjan- in Oudengels steartlian, Middelengels stertelen ‘met de voet schoppen’, MoE startle ‘opschrikken’. De intransitieve betekenissen ‘vallen’ en ‘opspringen’ lijken de oudste te zijn, beide houden een ‘plotselinge beweging’ in.
De bestaande woordenboeken nemen (zij het soms met enig voorbehoud, zoals Seebold 2011) een oorspronkelijke betekenis ‘stijf, een stijve beweging maken’ aan, die zich via ‘struikelen’ tot ‘omvallen’ zou hebben ontwikkeld. De betekenis ‘stijf’ leidt dan tot een verbinding met staart en, zonder de -t, met star en woorden voor ‘stijf zijn’ in andere Indo-Europese talen.
De verklaring via ‘struikelen’ doet gekunsteld aan, omdat *sturtjan niet primair ‘struikelen’ betekent. Wel is een overgang denkbaar van ‘stijf’ naar ‘snel’ of ‘plotseling’, vergelijk hard in hard rijden en de ontwikkeling van strak tot straks ‘meteen’. Als *sturtjan en *start- ‘plotseling/snel bewegen’ betekenden, kunnen onder andere ‘vallen’ en ‘opspringen’ daaruit makkelijk verklaard worden.
Proto-Germaans *start-, *sturt- ‘stijf’ kan teruggaan op Proto-Indo-Europees *stord-, *strd-, die eventueel dezelfde wortel voortzetten als PGm. *stara- ‘stijf, star’ uit PIE *storh1-o- (Ned. star). De mogelijkheid bestaat namelijk dat de medeklinker *h1 in laatstgenoemde reconstructies teruggaat op een vroegere *d, die het Germaans in dit geval bewaard zou hebben. Andere gevallen van een wisseling tussen *d en *h1 aan het einde van PIE wortels behandelt Garnier 2014.
Literatuur: Garnier, Romain. 2014. Nouvelles considérations sur l’effet Kortlandt. Glotta 90, 139–159.
[Gepubliceerd op 17-03-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

storten* [met geweld (laten) vallen] {storten, stu(e)rten 1236} middelnederduits storten, oudhoogduits sturzen, oudfries stirta, sterta, ablautend oudengels steartlian [struikelen] (engels to startle); men pleegt het woord te verbinden met staart, wat semantisch echter weinig overtuigend is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

storten ww., mnl. storten, sturten, ‘storten, omwerpen, doen vallen, vallen’, mnd. storten, ohd. sturzen (nhd. stürtzen), ofri. stirta ‘storten, omgooien’. Abl. daarnaast oe. steartlian (ne.startle) ‘struikelen’, ne. start ‘doen opspringen, opspringen, schrikken, vertrekken’, on. stirtla ‘met moeite oprichten’. — Behoort met staart tot idg. wt. *sterd, afl. van de onder star behandelde wt. *ster. — Wat de bet. betreft kan men dus uitgaan van ‘stijf gaan’ > ‘struikelen’ (vgl. daarvoor stork) > ‘omvallen, onderste boven vallen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

storten ww., mnl. storten (starten) “storten, omgooien, doen vallen, vallen”. = ohd. sturzen (nhd. stürzen), mnd. storten “id.”, ofri. stirta “storten, omgooien”. Met ablaut ags. steartlian “struikelen” (eng. to startle), eng. to start “(doen) opspringen, schrikken, vertrekken”. We kunnen van de bet. “een stijve, houterige beweging maken” uitgaan en staart combineeren. Een betere verklaring is helaas niet gegeven. Naast stort- staan (in wsch. jongere woorden) stork- en storp-; bijv. westf. storkeln, storpeln “struikelen”; het laatste kan ook een secundaire vorm naast du. stolpern wezen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

storten o.w., Mnl. id. + Ohd. sturzen (Mhd. stürzen. Nhd. id.), Ofri. stirta; met abl. Ags. steartlian = struikelen, Eng. to start = opspringen: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2stort ww.
1. Mors, uitgiet. 2. Vergiet. 3. Skielik en met geweld (laat) val. 4. Inbetaal.
Uit Ndl. storten (1561 in bet. 1 en 2, 1591 in bet. 3, 1861 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

storten. De verwensingen stort door je hoeven!, stort in de schacht! en stort door je enkels! betekenen ‘maak dat je wegkomt’. De verwensing wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. De verwenser wil een aangesprokene zijn wil opleggen, vandaar de gebiedende wijs.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

storten ‘(laten) vallen, neerwerpen; geld overmaken’ -> Deens styrte ‘(laten) vallen, omverwerpen, snel bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sturte ‘omvallen, plotseling doodgaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors styrte ‘(laten) vallen, neerwerpen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds störta ‘(laten) vallen, neerwerpen’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch setor ‘(geld) overmaken; (Bahasa Prokem) seks hebben met een vrouw’; Balinees setor ‘geld overmaken’; Gimán cora ‘uitstorten van bijvoorbeeld rijst of kopra uit een zak’; Jakartaans-Maleis setor ‘geld overmaken’; Jakartaans-Maleis kantor setor ‘latrine (lett. kantoor, plek waar iets gestort wordt)’; Javaans setor ‘geld overmaken’; Kupang-Maleis satór, stor ‘geld overmaken’; Minangkabaus stor ‘geld overmaken’; Negerhollands stort ‘(laten) vallen, neerwerpen’; Surinaams-Javaans setor, nyetor ‘cement storten om een vloer te maken; geld overmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

storten* met geweld (laten) vallen 1236 [CG I1, 29]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut