Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

storm - (hevige wind; hevige emotie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

storm zn. ‘hevige wind; hevige emotie’
Onl. stormo (gelatiniseerd) ‘aanval, oproer’ [1133; ONW]; mnl. storm ‘aanval’ [1240; Bern.], ‘storm, hevige wind’ in So hif en storm fel ende gram ‘toen stak er een felle en onstuimige storm op’ [1265-70; VMNW].
Os. storm (mnd. storm); ohd. sturm (nhd. Sturm); oe. storm (ne. storm); on. stormr (nzw. storm); < pgm. *sturma- ‘oproer, aanval; hevige wind’. Beide betekenissen komen al in de oudste taalfasen voor.
Verdere herkomst onduidelijk. Als de -m- een achtervoegsel is, hoort het woord wellicht bij de wortel van → storen. Een andere mogelijkheid (Kluge) is dat pgm. *stur- via *stwer- hoort bij de wortel *þwer- ‘draaien’ van → dwarrelen. Problematisch is de aanname van Witczak (1991) dat pgm. *strC < pie. *srC (C = medeklinker), waardoor Grieks hormḗ ‘aanval, aandrift’ (zie → hormoon) verwant zou zijn.
stormen ww. ‘zeer hevig waaien; onstuimig voortbewegen’. Mnl. stormen ‘aanvallen, bestormen’ [1240; Bern.], ‘woeden, tekeergaan’ in ende geboet den winden ende den watre dat si nemmeer en stormden ‘en gebood de winden en het water dat ze niet langer tekeer zouden gaan’ [1291-1300; VMNW]. Afleiding van storm.
Lit.: K.T. Witczak (1991), ‘Indo-European *srC in Germanic’, in: Historische Sprachforschung 104, 106-107

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

storm* [hevige wind] {sto(o)rm, storem [heftige beweging van het gemoed, idem van de zee, sein tot de aanval] 1201-1250} oudsaksisch, oudengels storm, oudhoogduits sturm, oudnoors stormr; behoort bij storen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

storm znw. m., mnl. storm m. ‘onstuimige beweging, storm, heftige aanval, os. storm ‘storm’, ohd. sturm m. ‘heftige beweging, onstuimigheid, storm’, (nhd. sturm), oe. ne. storm, on. stormr ‘storm, beroering, aanval’. — Een s-loze vorm in lat. turma ‘troep’. — Zie verder ook: storen.

Het lat. woord duidt op een ‘samengedrongen menigte’; dat versterkt nog de onder storen opgemerkte verbinding met het tumult, de verwarring op een dingvergadering.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

storm znw., mnl. storm m. “onstuimige beweging, storm, heftige aanval”. = ohd. sturm m. “heftige beweging, onstuimigheid, storm” (nhd. sturm), os. storm m. “storm”, ags. (eng.) storm, on. stormr m. “storm, beroering, stormaanval”. Met mhd. zuidwest-nhd. sturm “heftig” bij storen. Voor ’t formans vgl. lat. turma “troep”. Ten onrechte is storm met lat. sterno “ik spreid uit, gooi neer” (zie strooien) gecombineerd. Uit ’t Germ. it. stormo “aanval, strijd”, ofr. estour (> eng. stour) “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

storm m., Mnl., Os. id. + Ohd. sturm (Mhd., Nhd. id.), Ags. storm (Eng. id.), On. stormr (Zw. en De. storm): behoort bij storen en stuursch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

störm (zn.) storm; Vreugmiddelnederlands storm <1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

storm (een -- in een glas water) (vert. van Frans une tempête dans un verre d’eau)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Storm, wellicht afl. op m van storen = heftig bewegen; vgl.: verstoord = toornig bewogen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

storm ‘hevige wind’ -> Fins tormi ‘hevige wind’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests torm ‘hevige wind’ ; Pools sztorm ‘hevige wind’; Russisch štorm ‘hevige wind’; Bulgaars štorm ‘hevige wind op zee (windsnelheid van meer dan 15m per seconde)’ ; Oekraïens štorm ‘hevige wind’ ; Litouws štormas ‘hevige wind op zee (windsnelheid van meer dan 20 m per seconde)’; Esperanto ŝtormo ‘hevige wind’ ; Negerhollands storm ‘hevige wind’; Papiaments storm ‘hevige wind’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

storm* hevige wind 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2191. Een storm in een glas water,

d.i. een twist, die weinig beteekent, van geen belang is; ontleend aan het lat. fluctus in simpulo excitare, dat voorkomt bij Cic. de leg. 3, 16, 36: Excitabat enim fluctus in simpulo, ut diciturOtto, 323; Büchmann, 276.. Vgl. eng. a storm in a teacup or in a puddle; a tea-cup tempest; hd. ein Sturm im Glase Wasser; fr. une tempête dans un verre d'eau.

2588. Die wind zaait, zal storm oogsten,

d.w.z. ‘wie oproer verwekt, zal er het slachtoffer van worden’; men wordt dikwijls in dubbele mate gestraft door de gevolgen eener verkeerde handeling, die men gedaan heeft; men ontvangt loon naar werken. Ontleend aan den Bijbel en wel aan Hozea VIII, vs. 7: Sy hebben wint gezaeyt, ende sullen een wervelwintKantt.: Dat is: Godts schricklicke ende onvermijdelicke plagen. Bij Van der Palm storm. maeyen; zie Laurillard, 76; Zeeman, 363; Spieghel, 282: Die onrust zaayt moeyten maayt; vgl. Harreb. II, 140 a; J. Ligthart, Jeugdherinneringen3, bl. 136; De Arbeid, 20 Febr. 1915 p. 1 k. 2; afrik. wie wind saai, sal storm maai; Joos, 135: die wind zaait, zal onweer maaien (Antw. Idiot. 1448); bl. 184: die winden zaait, zal tempeesten maaien; fr. qui sème le vent récolte la tempête ou qui sème les chardons recueille les épines; hd. wer Wind säet, wird Sturm (oder Ungewitter) ernten; eng. who sows wind, must look out for squalls or will reap the whirlwind.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut