Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

storen - (hinderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

storen ww. ‘hinderen’
Aanvankelijk alleen met het voorvoegsel te- ‘uiteen-’ (zie → te 2 en → dis-): onl. testōren ‘vernietigen’ in testordos unsig ‘u vernietigde ons’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. din lant wir te stóret ‘jouw land (hebben) wij verwoest’ [1201-25; VMNW]. Dan ook het simplex storen ‘ontstemmen, verontrusten’ in en bode die onblide menegen macte ende sere storde jnt hof ‘een boodschapper die velen in het kasteel ontstemde en verstoorde’ [1260-80; VMNW], waer omme heb di vte miere rasten gestoert nv mi ‘waarom heb je me nu in mijn rust gestoord?’ [1276-1300; VMNW].
Os. te-stōrian ‘verstoren, vernietigen’ (mnd. storen ‘verstoren’); ohd. stōren, stōrren (nhd. stören); ofri. to-stēra ‘vernietigen’; < pgm. *staurjan-. Daarnaast met nultrap pgm. *sturjan-, waaruit: os. far-sturian ‘verstoren’ (mnd. vorsturen); ohd. ir-sturien ‘id.’, mhd. stürn; oe. styrian ‘id.’ (ne. stir ‘verroeren, beroeren’); ozw. styr(i)a, nno. styrja ‘verstoren’; en het abstractum on. styrr ‘onrust, strijd’. Mogelijk hoort hierbij ook → storm.
Buiten het Germaans zijn er geen aanknopingspunten.
gestoord bn. ‘een storing of afwijking hebbend’. Mnl. ghestoort ‘ontsteld, beroerd, bedroefd, in verwarring gebracht’ in wartsi allettel ghestoerd van binnen ‘werd ze een beetje verdrietig van binnen’ [1276-1300; VMNW], met name ook ‘ontstemd, boos’ in Die coninc wert zere ghestoort, doe hi hoorde dese woort ‘de koning werd heel boos toen hij deze woorden hoorde’ [midden 14e eeuw; MNW]; nnl. geestelijk gestoord ‘geen normale functionering van de geest hebbend’ [1961; Van Dale geestelijk]. Verl.deelw. van storen. Tegenwoordig ook veelal als pseudo-achtervoegsel in bijv. gedragsgestoord ‘geen normaal gedrag vertonend’, contactgestoord ‘niet vaardig in menselijke contacten’, ontwikkelingsgestoord e.d.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

storen1* [hinderen] {sto(o)ren, stoeren 1260-1280} middelnederduits storen, oudsaksisch farsturian [omgooien], middelhoogduits stürn [porren], oudengels styrian [hinderen] (engels to stir); verwant met storm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

storen ww., dial. ook steuren, mnl. stōren, steuren ‘beroeren, kwellen, hinderen, storen, verwoesten’, os. farsturian ‘subvertere’, mhd. stürn ‘porren, aansporen’, oe. styrian ‘bewegen, hinderen, opwekken’ (ne. stir). — Daarnaast abl. mnl. stôren, Kiliaen stooren (nog dial.) ‘storen, hinderen’, mnd. stōren, ohd. stōren (nhd. stören), ofri. stēra ‘verstrooien, vernietigen’.

Men kan verbinden met mnl. ghesture ‘hachelijke tocht, gevaar’, oe. gestyr ‘beweging’, on. styrr ‘tumult, strijd’ en dan verder met storm. — Het verdient echter geen aanbeveling om van een grondvorm *stewer uit te gaan en dan verband te leggen met dwarrelen (FW 672). Deze uitsluitend germ. woordgroep voert op een oorspr. bet. ‘verwarring, verstoring’, waaruit zich die van ‘storm’ en ‘strijd’ ontwikkelen kon (zie voor dit laatste ital. stormo ‘samentreffen, strijd’, ofra. estour). Het schijnt echter bedenkelijk deze woorden geheel te scheiden van on. staurr va.. ‘stang’ (> ne. dial. stower ‘stang van een omheining’), vgl. ohd. stiura ‘paal, stut’ en gr. staurós ‘paal’, oi. sthāvaras ‘staand, vast’, osl. staviti ‘inzetten’ (IEW 1009), die teruggaan op een idg. wortel, die een r-afl. kan zijn van de onder stoten genoemde *stheu. J. Trier Westf. Forsch. 4. 1941, 127-129 tracht het verband zo te leggen, dat hij uitgaande van ‘stang met een gevorkt boveneinde’ over ‘omheining’ > ‘omheinde ruimte’ > ‘dingvergadering’ komt en daaruit weer afleidt; ‘onrust of tumult onder de daar bijeengekomen mannen’. Hoewel dit vrij problematisch is, biedt het toch de mogelijkheid anders geïsoleerd staande woorden met elkaar in verband te brengen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

storen ww., dial. ook steuren, mnl. stōren, stȫren “beroeren, kwellen, hinderen, storen, verwoesten”. = mhd. stürn “porren, aansporen” (nog. dial.), os. far-sturian “subvertere”, ags. styrian “bewegen (trans. en intr.), hinderen, opwekken” (eng. to stir). Hierbij on. styrr m. “opschudding, lawaai, verwarring”, ags. ge-styr o. “beweging” en storm. Ablautend met mnl. stôren, Kil. stooren (in bet. = stōren en in de teksten vaak niet hiervan te onderscheiden) (nog dial., o.a. Antw.; oost-N.Brab. stö̂ren), ohd. stôren (nhd. stören), mnd. stôren, ofri. to-stêra “verwoesten”. Van de idg. basis stewer-, een anlautvariant van tewer-, waarvan dwarrelen. Voor de bet. vgl. het verwante lat. turbâre “in beroering brengen”, dis-turbâre “verwoesten”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

storen o.w., Mnl. id., Os. sturian + Ohd. storen (Mhd. stœren, Nhd. stören), Ags. styrian (Eng. to stir) zonder s + Lat. turbare en dwarrelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

steure, ook: sture (ww.) hinderen; Vreugmiddelnederlands storen <1260-1280>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

steur: – stoor – , hinder, strem; Ndl. storen (Mnl. stōren/steuren, ook dial. steuren), Hd. stören, Eng. stir, “in beroering/beweging bring”, verw. hoërop onseker. Hierby Afr. afl. steuring en steurnis, v. ook stoor I.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

storen ‘hinderen’ -> Deens forstyrre ‘hinderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forstyrre ‘hinderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments ster ‘hinderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

storen* hinderen 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut