Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoppel - (halmrest na het maaien; korte stekelige baardhaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoppel zn. ‘halmrest na het maaien; korte stekelige baardhaar’
Mnl. stoppel ‘halm, stengel, inz. in de grond achterblijvend deel van een afgemaaide korenhalm’ eerst in de vorm stopple [1240; Bern.]; vnnl. ‘korte stekelige baardhaar van iemand die zich niet (goed) geschoren heeft’ in die sin kin het vol kekelen en stoppelen ‘die zijn kin vol heeft met ijspegels en stoppels’ [1613; WNT].
Ontleend aan Laatlatijn st(u)pula (Frans éteule) ‘strohalm; stoppel’, nevenvorm van klassiek Latijn stipula ‘id.’, oorspr. alleen ‘halm’.
Evenzo ontleend zijn: mnd. stoppel (en door ontlening nhd. Stoppel); ohd. stupfila; alle oorspr. ‘halmrest na het maaien’. Ne. stubble ‘stoppel’ is ontleend via Oudfrans estuble.
Latijn stipula is wrsch. een afleiding van de wortel *steip- van → stijf.
Het woord is net als onder meer → vlegel, → plant, → sikkel en → spelt direct overgenomen van de Romeinse landbouw. De betekenis ‘korte stekelige baardhaar’ is uit de eerste afgeleid en mogelijk ontstaan in het Nederlands. Engels stubble en Duits Stoppel kennen deze betekenis wel; Frans éteule en Laatlatijn stupula niet.
droogstoppel zn. ‘saai persoon’. Nnl. droogstoppel “scheldnaam, die vooral gehoord wordt sedert de verschijning van Multatuli's Max Havelaar” [1872; Van Dale], een paar droogstoppels van mijne kennis [1867; WNT droog]. Het woord gaat terug op de naam van Batavus Droogstoppel, een personage zonder enig hoger streven of idealistische neigingen uit de in 1860 verschenen roman Max Havelaar van Multatuli, pseudoniem van Eduard Douwes Dekker (1820-1887). Gevormd met droog ‘saai, dor’ bij stoppel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoppel [na maaien overblijvende deel van halm] {stoppele 1201-1250} < laat-latijn stupula < latijn stipula [halm, stro, stoppelveld].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoppel znw. m., mnl. stoppele v., ohd. stupfila v. (nhd. dial. opperhd. štupfel), langob. stupla naast mnd. stoppel m. (> nhd. stoppel sedert Luther) < laat-lat. stupla, stupula (lat. stipula ‘halm, stro’), waaruit ook ital. stoppia, prov. estobla, ofra. estoble (> ne. stubble), nfra. étouble. Het woord is samen met andere woorden als vlegel, plant, sikkel, spelt overgenomen van de romeinse landbouw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoppel znw., mnl. stoppele v. = ohd. stupfila v. (nog opperdu. dial. štupfel), mnd. stoppel m. (nhd. stoppel v.) “stoppel”. Wat vorm en bet. aangaat, is verwantschap met stoppen I mogelijk. Toch is ontl. uit lat. *stupula “stoppel”, denzelfden vulgairlat. vorm van stipula “id.”, die aan ofr. estoble, estouble (> eng. stubble; fr. éteule) “id.” e.a. rom. vormen ten grondslag ligt, waarschijnlijker. Andere ontleende landbouwtermen zijn o.a. sikkel II, wan, wikke.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoppel m., Mnl. stoppele + Ohd. stupfila (Mhd. stupfel, Nhd. uit Ndd. stoppel): afgel. van stoppen 1 (z.d.w.); voor anderen echter ontleend uit Volkslat. stupula (Ofra. estoble waaruit Eng. stubble, Nfra. éteule). Lat. stipula = stoppel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stoppel s.nw.
1. Onderste gedeelte van 'n halm wat oorbly na die oes. 2. Enigiets wat aan 'n stoppel (stoppel 1) herinner, veral 'n haar wat uitgroei.
Uit Ndl. stoppel (Mnl. stoppele in bet. 1, 1638 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling stopland 'stoppelland'.
D. Stoppel (16de eeu), Eng. stubble (1297).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stoppel (vulgair Latijn *stupula)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stoppel, ’t zelfde als ’t Lat. stipula, als landbouwterm, overgenomen van de Romeinen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoppel ‘na maaien overblijvende deel van een halm’ -> Schots stapple ‘bundel stro of biezen in een schoof bijeen gebonden’; Duits Stoppel ‘na maaien overblijvende deel van een halm’ (uit Nederlands of Nederduits); Esperanto stoplo ‘na maaien overblijvende deel van een halm’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoppel na maaien overblijvende deel van halm 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut