Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoof - (voetwarmer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoof zn. ‘voetwarmer’; (BN) ‘kachel’
Mnl. stove ‘gelegenheid voor warme baden, badhuis’ in daer iacobs stoue vp staet ‘waar het badhuis van Jakob staat’ [1295; VMNW], ‘heet bad, stoombad’ in stove of badinge en sijn hem niet goet ‘zweetbad of bad zijn niet goed voor hem’ [1351; MNW], ‘verwarmbaar vertrek’ in hy sat in sijn stoove ... ende voor hem was geset een heert vol coolen ‘hij zat in zijn warme kamer en voor hem stond een kachel vol kolen’ [ca. 1425; MNW], ‘voetwarmer’ in Een houten vrouwen stoofken [voor 1450; MNW], ‘droogkamer, droogoven’ in de broeders van der voors. gilde, stove ... hebbende ‘de broeders van het genoemde gilde, die droogovens (voor meekrap) hebben’ [1491; MNW]; vnnl. stove, stoof ‘vertrek waarin gestookt kan worden’ in mijn stoeve ende cueken ende camer boeven ‘mijn woonvertrek en keuken en bovenkamer’ [1561; WNT], ‘badhuis, stoombad’ in stove om te baden [1573; Thes.], stove, sweet-bad [1599; Kil.], ‘kachel’ in onse Stove ofte Kaggel [1634; WNT].
Herkomst omstreden. De Germaanse woorden zijn zeer oud en o.a. ontleend als Oudkerkslavisch istŭba, izba, Litouws stubà, Fins tupa en Hongaars szoba; daarom werd altijd aangenomen dat equivalenten in de Romaanse talen, zoals Oudfrans estuve ‘verwarmd vertrek, broeikas, kookketel’ (Nieuwfrans étuve ‘stoombad, droogkast’), Spaans estufa ‘kachel’ en Italiaans stufa ‘id.’ eveneens van Germaanse herkomst waren. Later werd gedacht dat de overeenkomst op toeval berustte: de Romaanse woorden waren niet ontleend, maar gingen terug op vulgair Latijn *extufa, *extufare, vormen die bestonden naast *tufo ‘stoom, damp’, zoals kon worden aangetoond in verschillende Italiaanse dialecten. Tegenwoordig gaan de meeste etymologen (o.a. Kluge, Corominas) ervan uit dat de Germaanse woorden van Romaanse herkomst zijn en dat er voor fonetische feiten die daarmee in tegenspraak lijken te zijn, verklaringen bestaan; zo kan de -b- in Oudspaans en Catalaans estuba ‘stoombad’ en Provençaals tuba ‘roken, dampen’ teruggaan op een -p-: tijdens het proces waarin op basis van Grieks tū́phein ‘doen walmen, met damp vullen’ (mogelijk verwant met thūmiãn ‘roken’, zie → parfum) het vulgair-Latijnse werkwoord *extuphare, *extufare werd gevormd, kan zich in een vroeg stadium of in bepaalde streken uit de Griekse -ph- ook een -p- hebben ontwikkeld, dus vulgair Latijn *extupare (BDE, Rey, FEW). Bovendien zijn het verwarmbare badvertrek en het stoombad oude Romeinse uitvindingen, die door de Germanen zijn overgenomen, waarbij het voor de hand ligt dat zij ook vulgair Latijn *extufa hebben overgenomen als benaming voor ‘stoombad’ en ‘verwarmbaar vertrek’.
Mnd. stove ‘verwarmbaar vertrek’; ohd. stuba ‘id.’ (nhd. Stube ‘vertrek’); nfri. stove ‘stoof’; oe. stofa ‘badvertrek, stoombad’ (ne. stove ‘kachel’, wrsch. ontleend aan mnd. of mnl.); on. stofa ‘verwarmd vertrek, badvertrek met kachel’ (nzw. stuga ‘huisje’, nde. stue ‘vertrek’).
Als de Germaanse woorden toch inheems zijn, kan men pgm. *stubō- reconstrueren, dat dan ablautend verwant is met → stuiven; zie dan ook → stoom.
Zie ook de afleiding → stoven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoof1* [voetwarmer] {stove [badvertrek, warm bad, droogoven, stoof] 1300} middelnederduits stove [woning, vertrek], oudhoogduits stuba [badvertrek, vertrek dat verwarmd kan worden] (> hoogduits Stube), oudengels stofa [bad, badvertrek], oudnoors stofa, stufa [verwarmbaar vertrek]; van dezelfde stam als stuiven, waarbij de grondbetekenis van stoof te zoeken is in ‘dampen, wasemen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoof 1 znw. v., zuidnl. ‘kachel’, mnl. stōve v. ‘badvertrek, warm bad, verwarmd vertrek, droogoven, stoof’, mnd. stōve v. ‘badvertrek, verwarmd vertrek, woning, vertrek’, ohd. stuba v. ‘badvertrek, verwarmd vertrek’, oe. stofa m., stofu v. ‘bad, badvertrek’ (ne. stove ‘kachel’), on. stofa v. ‘(verwarmbaar) vertrek, huis’.

Gewoonlijk leidt men het on. woord of uit mnd. of uit. oe. af en verbindt dit dan met een romaans woord, waarover straks. — Anderen denken aan een germ. woord. Dan kan men uitgaan van ‘kachel’ en verwijzen naar mhd. stübech ‘vat, kuip’ en verder verbinden met stoop (Falk MM 1909, 120-8 die denkt dat het verwarmbare huis in Skandinavië uit het Oosten overgenomen is). — Men kan ook verbinden met stuiven en hogerop verband zoeken met stoom en dus uitgaan van het huis voor stoombaden zoals de finse sauna (van Wijk IF 24, 1909, 35). — Zeker is het mogelijk dat een germ. woord later vermengd is met een romaans zoals ital. stufa, prov. estuba, stuva, fra. étuve ‘kachel, badvertrek’ (zie Meyer-Lübke in Fschr. von Kelle, Prager deutsche Studien 8, 1908, 78). — Rekent men met een germ. woord, zo kan men eerder aanknopen aan de idg. wt. *st(h)eu (waarvoor zie stoten), waarmee woorden voor bosbedrijf en woningbouw gevormd zijn; dan kan men uitgaan van het houten gebouw voor de dampbaden, die oudtijds bij de Germanen algemeen in gebruik waren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoof znw., zuidndl. = “kachel”, mnl. stōve v. “badvertrek, warm bad, verwarmd vertrek, droogoven, stoof”. = ohd. stuba v. “badvertrek, vertrek dat verwarmd kan worden” (nhd. stube), mnd. stōve v. “id., woning, vertrek”, ags. stofa m. “bad, badvertrek” (eng. stove “kachel”), on. stofa, stufa v. “(verwarmbaar) vertrek”. De oorspr. bet. was “damp-vertrek”. Hierbij ’t ww. stoven, mnl. stōven “een warm bad geven, met warm water behandelen, stoven”, mnd. stōven “stoven, roosteren”. De bet. en vorm verklaren zich uitnemend, als we van de germ. basis steuƀ- stuƀ- “stuiven, wasemen, dampen” (zie stuiven) uitgaan en daarom is’t niet aan te bevelen stoof, stoven met de rom. woordgroep van fr. étuve “badstoof, bad, droogoven”, étuver “stoven” van een lat. *extûfa, *extûfâre af te leiden. Eer moeten we een toevallige klankovereenstemming aannemen. Germ. *stuƀôn- ging ook in slav. e.a. oosteuropeesche talen over.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stoof. Ags. ook stofu v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoof 1 v. (oven), Mnl. stove + Ohd. stuba (Mhd. stube, Nhd. id.), Ags. stofa (Eng. stove), On. stofa (Zw. stuga, De. stue), van stuiven o.a. = opwalmen, dampen; de bet. zijn: verwarmbare kamer, badkamer, enz. Het woord drong in ’t Slav., Lit., Fin. en Rom. (Fr. étuve).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stoof (de, stoven), 1. petroleumstel. - 2. gaskomfoor (1- of 2-pits). - Etym.: E stove = o.m. id. AN s. is de naam voor een aantal apparaten die alle dienen om iets warm te houden.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stoof: kooktoestel v. metaal; in dié bet. wsk. deur d. handel uit Eng. stove, wat reeds i. d. 18e eeu so gebr. word, terwyl Ndl. stoof/stove (Mnl. stōve) en Hd. stube nog tot later gebr. is in bet. soos o.a.: “badvertrek, winterwoonvertrek, kaggelkamer, vuur(h)erd, droogoond, kagge1, kolebak, voetstofie”; dit word d. sommige as Genn. beskou, maar is moeilik los te maak v. Rom. (bv. It. stufa, Fr. étuve, “badvertrek, kaggel”) en hou misk. verb. m. Ndl. stuiven, Afr. stuif en Eng. stew in bet. soos “damp, kook, wasem” – verb. m. stoom is minder seker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stoof, bet. oorspr. bij voorkeur een verwarmbare kamer; ook badstoof (warme badkamer); meestoof (voor ’t roosteren der meekrap). Vgl. ons stoven van groenten; het grondwoord moet dus verwarmen bet. hebben. Men ziet er verwantschap in met ’t Fr. étouffer (stikken van warmte), en ’t Gr. tuphos = walm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoof ‘voetwarmer’ -> Engels stove ‘sauna, Turks bad (verouderd); (kamer verwarmd door een) haard of kachel; broeikas; droogoven; voetwarmer’; Esperanto stovo ‘kachel’ ; Zuid-Afrikaans-Engels stoofie ‘voetwarmer’ ; Creools-Portugees (Ceylon) stoof ‘stoofschotel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoof* voetwarmer 1300 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut