Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stond - (tijd(stip))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stond*, stonde [tijd(stip)] {stonde, stont 1265-1270} oudsaksisch, oudhoogduits stunda, oudfries stunde, oudengels, oudnoors stund; van dezelfde stam als standen, staan, dus het moment van stilstaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stonde znw. v. of stond, mnl. stonde, stont v. ‘tijdstip, tijd’, os. stunda, ohd. stunda, stunt (nhd. stunde), ofri. stunde, oe. on. stund v. — Zie ook: aanstonds.

Gewoonlijk verklaard als ‘halt maken, tijd van het halt maken’ en dan in verband gebracht met het ww. staan. (IEW 1005). Semantisch niet geheel bevredigend. Evenmin wanneer men uitgaat van een bet. ‘het vastgestelde’. — Eerder is te herinneren aan on. stund ‘moeite, arbeid, streven’, oe. stundom ‘ijverig’, wat zich zeker niet uit het tijdsbegrip laat afleiden. Zou men niet eerder, evenals bij tijd mogen uitgaan van de arbeidsverdeling in een volksgemeenschap en dan in de zin van J. Trier het begrip ‘tijd’ uit de begripssfeer van de grote woordengroep met het element *st(h)e, die op de werkzaamheden in het primitieve bosbedrijf wijzen (zie: staak) afleiden?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stonde, stond znw., mnl. stonde, stont v. (m.) “tijdstip, tijd”. = ohd. stunda, stunt (nhd. stunde), os. stunda, ofri. stunde, ags., on. stund v. “id.” (in sommige talen met uitgebreider bet.-sfeer; de bet. “uur” van nhd. stunde komt sedert ’t laat-Mhd. voor). Germ. *stunðô- staat in ablaut tot mnl. standen enz. (zie staan): de oorspr. bet. zal “halt-maken, tijd van het halt-houden” geweest zijn. Vgl. voor de bet. ohd. stulla v. “tijdruimte, tijdstip”, dat bij de woordgroep van steel en stollen hoort: bij de oorspr. bet. “het halt-maken” sluit zich ohd. stullen “halt maken” aan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stond m., Mnl. stonde, Os. stunda + Ohd. stunta (Mhd. stunde, Nhd. id.), Ags. stund (Eng. stound), Ofri. stunde, On. stund (Zw. en De. id.): van denz. stam als ’t imp. van *standen (z. staan). dus = rustpunt.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2190. De stonden hebben,

l. ses règles.

d.w.z. de maandstonden (16de eeuw), de maandvloed, de menstruatie hebben, de periode hebben, de zaken hebben, niet wèl of niet goed zijn; de regels hebben (zie Kmz. 159; Lvl. 308); de vuile week hebben (Köster Henke, 73); de week hebben (Boekenoogen, 1196), de roode vlag (Köster Henke, 57; Harreb. II, 387) of de vlag uithebben of uithangen (De Vries, 103; Boekenoogen, 1146); nicht, tante of grootmoeder over of te logeeren hebben; bieten gegeten hebben; de Prins is jarig (in Kmz. 159); Peet van Wieringen is te logeeren met een rood sloop aan; fri. de Ingelske flagge waeye litte; de oranjevlag laten waaien (Harreb.); de bloedvlag laten waaien (Winschooten, 336); het goed hebben (V. Dale); in Zuid-Nederland zij zit met haar klodden (te Aalst; De Cock2, 101); de bullen hebben of met die bullen zitten (Antw. Idiot. 1624), dat goed, die dingen, die vodden hebben (Antw. Idiot. 1724); haer rozelaer bloeit; het maandroosje bloeit (zie Volkskunde XXVI, 185); mnl. die bloemen; vgl. fr. les fl(u)eurs (rouges); ook les anglais, les voisins, les menses, les affaires; passer la mer rouge; casser la gueule à son porteur d'eau; faire rouge; avoir les régles; hd. das Monatliche haben; die Regeln, Menses haben; den roten König, die Blumen haben (vgl. 17de eeuw: die amaranthen); die Periode haben; ihre Zeit haben; die Katamenien, die Emmenien haben; eng. to have the flowers, (monthly) visitor, poorly time; the reds; the turns; to be unwell; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut