Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stomp - (zn. stoot, geknot voorwerp; bn. niet scherp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stomp 1 zn. ‘afgeknot voorwerp’
Mnl. stompe ‘afgeknotte ledemaat’ in nam sijn bloedighe hant ... ende setse an die beseerde stompe ‘nam zijn bloederige hand en zette die aan de pijnlijke stomp’ [1479-1517; MNW-P]; vnnl. stomp ‘vuist, vinger’ in myn vuulle stomppen ‘mijn vuile vuisten’ [1526; iWNT] en ‘afgeknot voorwerp geen ledemaat zijnde’ in die stomp van den fockemast [1598; iWNT voeren II].
Mnd. stump (waaruit door ontlening nzw. stump); ohd. stumpf (nhd. stumpf); me. stump (ne. stump); nfri. stomp; alle ‘stomp, i.h.b. van ledematen en bomen’, < pgm. *stumpa-. Daarnaast staat, met gelijke betekenis, nnl. (vero.) stommel, ohd. stumbal, uit de wortelvariant pgm. *stumb-.
Ablautende afleiding van de wortel van → stampen.
De betekenis ‘afgeknotte boom’ deelt stomp met woorden als stobbe, strubbe, stramp en stronk, waarvan de wortels vermoedelijk alle verwant zijn.

stomp 2 bn. ‘niet scherp’
Mnl. stomp ‘bot, plomp (van personen)’ in Ic arem, rud, stomp, cranc ‘Ik arm, lomp, plomp, ziek’ [1350-1400; MNW-R], ‘onscherp’ in Die wetsteen es van hem selven stomp [1390-1410; MNW-R].
Hetzelfde woord als → stomp 1.
Mnd. stump ‘afgeknot; stomp; stompzinnig’ (waaruit nde. stump ‘afgeknot, kort’); ohd. stumpf ‘verminkt’ (nhd. stumpf ‘stomp; bot, grof’); nfri. stomp ‘bot’; < pgm. *stumpa-.

stompen ww. ‘stoten met de vuist’
Vnnl. stompen ‘verminken, afhakken, door te slaan stomp maken’ [1573; Thes.]; nnl. ‘stoten met de vuist’ in Waarom stompt gij mij zoo op den rug [1804; iWNT].
Afleiding van → stomp 1.
Mnd. stumpen ‘stomp worden’ (waaruit nzw. stympa ‘verminken’); ohd. stump(h)en ‘stomp maken’ (nhd. stumpfen); nfri. stompe ‘stoten met de vuist’; ne. vero. stump ‘tot een stomp maken; verminken’.
De diverse deelbetekenissen van stompen zijn op de verschillende betekenissen van stomp terug te voeren. Zo is een oude toepassing van stompen ‘afhakken’ (van boomtakken en ledematen). Ook wordt het al lang gebruikt voor het stomp maken en worden van wapens en snijwerktuigen door het afbreken van de punt en voor het bot worden van de snede. De betekenis ‘stoten met de vuist’ is beperkt tot het Nederlands en Fries en is verbonden met de betekenis ‘vuist’ van stomp.
stomp 3 zn. ‘vuiststoot’. Nnl. stomp [1809; Wdb. ND], in iemand eenen stomp op de borst geven [1832; Bomhof NE]. Afleiding van stompen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stomp1* [stoot, geknot voorwerp] {stomp(e) [geknot voorwerp, stompje van arm of been] 1479; als ‘stoot’ 1866} middelnederduits stump, oudhoogduits stumpf, middelengels stompe, stumpe, oudnoors stumpr [broodstomp]; genasaleerde vorm naast stoof2 [wortelstronk] en stobbe gelijk strumpel en stromp naast strobbe, strubbe (vgl. stommel, stumper).

stomp2* [niet scherp] {1400} hetzelfde woord als stomp1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stomp 1 znw. m. ‘afgeknot voorwerp’, mnl. stompe v. naast mnd. stomp, ohd. nhd. stumpf, ne. stump. — Zie verder: stomp 3. — Een westgerm. woord, want on. stumpr, dat laat optreedt, is een ontlening aan het mnd. — > ne. stump ‘doezelaar’ eerder uit vla. dan uit fra. estompe, dat trouwens zelf in de 17de eeuw uit het nl. werd overgenomen.

stomp 2 znw. m. ‘stoot, duw’, eerst nnl., is een afl. van het ww. stompen.

stomp 3 bnw. ‘afgeknot’, mnl. stomp, mnd. stump, ohd. nhd. stumpf ‘afgeknot, afgestompt, verminkt’, vgl. nog mnd. stumpel ‘stompje’, ozw. stympla ‘verminken, afknotten’. — Naast deze woorden met p staan er andere met b als in stommel. — Zie verder: stampen en stappen. — Naast elkaar staan dus idg. *stemb en *stembh, genasaleerde vormen van *steb(h) waarvoor zie: staf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stomp III (stoot), nog niet bij Kil. Van stompen (stooten), dat identisch is met stompen, Kil. stompen, mhd. stumpfen “afstompen”. Van stomp II. De bet. “stooten” is secundair.

stomp I (geknot voorwerp), mnl. stompe v. Stamvariant naast ohd. (nhd.) stumpf, mnd. stump m., eng. stump “stomp, boomstronk”. Het znw. *stumpa- is identisch met ’t bnw. *stumpa-, ndl. stomp II, mnl. stomp, ohd. (nhd.) stumpf, mnd. stump “afgestompt, afgeknot, verminkt” (vgl. lat. trùncus “verminkt” en “boomstronk”, en bot II, bot IV). De stam *stumpa- is niet te scheiden van ohd. stumbal “afgeknot, dom”, nhd. stummel m. (: nederrijnsch ± 1300 stumpel) m. “afgesneden stuk, stompje”, ndl. stommel (reeds 1495 te Enkhuizen in de bet. “stoppels”): vgl. de naast-elkaar-voorkomende afll. ohd. bi-stumbaljan, bi-stumbilôn (nhd. ver-stümmeln), ofri. *stembla (stemblinge v.) en mnd. stumpelen (: stumpel m. “stompje”), ofri. *stempla (stemplinge v.), ozw. stympla “verminken, afknotten”. Germ. stump-, stumƀ- verklaren zich ’t best als verlengingen (met schwundstufe-vocalisme) van de idg. basis stem- “stooten”. Vgl. met normalstufe stampen. Van de verlengde bases idg. (s)tem-b-, (s)tem-bh-, (s)tem-p- kunnen o.a. nog komen: ier. tomm, oi. stambá- “bosje”, lit. stambas “stronk”, stim̃bras “stompje”, obg. tąpŭ “stomp” (bnw.), stąpiti, -ati “treden”; voor de bet. vgl. stampen. De hier voor *stumpa- gegeven etymologie is waarschijnlijker dan de combinatie met stoppen; we zouden dan van een idg. basis stu-m-p- (stu-m-b-) naast stu-p- uit moeten gaan; Mülheimsch štŭp, westf. stupp “stomp” (bnw.) zijn bezwaarlijk een oeroude nasaallooze variant van stomp. NB. De basis stembh- “stooten” is niet altijd goed te onderscheiden van stembh- “stevig zijn, steunen” (zie bij staf).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stomp I, stomp II (geknot voorwerp) resp. bnw. Lees: lit. stámbas ‘stronk’ (ook stémbas, stambras e.a. vormen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stomp 1 bijv., m. en v. (bot, afgeknot voorwerp, kleine mast), Mnl. id. + Ohd. stumpf (Mhd., Nhd. id.). Meng. stumpe (Eng. stump), On. stumpr (Zw. en De. stump); daarnevens Ohd. stumbal = afgeknot, Nhd. verstümmeln = verminken; van denz. wortel als stampen.

stomp 2 m. (stoot), van stompen = stooten, denom. van stomp 1 = afgeknot voorwerp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stomp I: s.nw., blok, boom-/houtstuk; Ndl. stomp (by Kil stompe), Hd. stumpf, Eng. stump, mntl. verb. m. stomp II.

stomp II: b.nw. en ww., nie-skerp (bv. mes); (fig.) dom; Ndl. stomp (Mnl. stomp), “nie-skerp” maar dan = “nie-puntig”, m.a.w. Afr. en Ndl. stomp is nie altyd sinon. nie, vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 29.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stomp ‘stoot’ -> Negerhollands stomp ‘stoot’; Sranantongo (s)tompu ‘stoot’.

stomp ‘geknot voorwerp’ -> Deens estompe, stompe, stup, stub ‘tekengereedschap’ ; Deens stump ‘geknot voorwerp, stukje; klein kind; stukje stof, restjes zeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stump ‘geknot voorwerp’; Frans estompe ‘tekengereedschap, doezelaar; zachte schaduw’; Esperanto stompo ‘tekengereedschap, doezelaar’ ; Esperanto stumpo ‘overblijfsel, onbeschadigde rest na amputatie, verbruik, slijtage’ ; Zuid-Afrikaans-Engels stompie ‘peuk, stompje kaars’ ; Negerhollands stomp, stompie ‘geknot voorwerp’; Sranantongo tompu ‘boomstronk’; Saramakkaans tómpi ‘boomstronk’ .

stomp ‘niet scherp’ -> Engels stump ‘afgesleten; afgeplat, niet scherp of puntig; misvormd (ledematen)’; Deens stump ‘niet scherp, sloom’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stump ‘niet scherp’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests tömp ‘niet scherp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels stomp- ‘niet scherp’; Negerhollands stomp, tom ‘kort; niet scherp, klein’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments stòmpi (ouder: stompi) ‘niet scherp’; Sranantongo (s)tompu ‘niet scherp’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † stomp ‘kort’ ; stomp ‘afgerond (van inkeping in dierenoor)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stomp* geknot voorwerp 1479 [MNW]

stomp* stoot 1866 [WNT]

stomp* niet scherp 1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut