Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stolp - (deksel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stolp* [deksel] {1568 als ‘deksel om vuur te doven’} van (vgl. stelpen).

stulp* [deksel] {stulpe 1599} nevenvorm van stolp.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stolp znw. v. ‘glazen klok, die over iets heen gezet wordt’, mnd. stulpe ‘stulp, deksel’, vgl. ook nnl. stulp ‘stolp; klein hutje’. De bet. wijst op samenhang met stulpen. - — Maar mnl. stolpe, stolp bet. ‘zolderbalk, haarddeksel’, vgl. mnd. stolpe ‘kleine balk’, me. stulpe ‘post, pin’, on. stolpi ‘pijler, zuil’. — witruss. stolb ‘zuil’, lett. stulbs ‘post, paal’, osl. stlŭba ‘trap’ (IEW 1020). — Een b-afl. van de onder steel behandelde wt. *stel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stelpen ww., mnl. stelpen “tegenhouden, doen ophouden, stuiten, stelpen”, minder vaak intr. “ophouden, ophouden te vloeien”. Vgl. mhd. stëlfen “tegengaan, stuiten”, os. stëlpon “stagnare” en noorw. dial. stelpa “tegengaan”, on. stelpa “onderste-boven-keeren”. Os. stëlpon “stagnare” benevens mnd. stalpen “id.”, stolpe “een vette stof”, ndd. dial. be-stalpern “stollen, vast worden” wijzen op een idg. basis st(h)elb- “vast worden”, waarvan ook Kil. “stolpe. vetus. Tignum”, mnd. stolpe “een kleine balk”, meng. stulpe “post, pin”, on. stolpi m. “paal, stijl”, russ. stolb “zuil”, lett. stulbs “id.” kunnen komen (verlengd uit de bij steel, stollen besproken basis; met p obg. stlŭpŭ “zuil, toren”), de andere geciteerde woorden kunnen eer met ’t sterke ww. zw. dial. stiälpa “omvallen” en de woordgroep van ndl. stolp, stulp znw., stolpen, stulpen ww. (reeds mnl.), mnd. stulpe v. “stulp, deksel” (nhd. stulpe), stulpen “stulpen, omgooien” (nhd. stülpen) van een basis stelb- “een gooiende, duwende, stortende, vallende beweging maken” komen, waarmee desnoods een basis stelb- “flauw, slap zijn” identisch kan zijn, waarvan lit. stel̃bti “flauw worden, verschalen”, lett. stulbs “bedwelmd, ontsteld”, lat. stlembus “traag” (met nasaleering) komen kunnen. Iets positiefs laat zich over al deze woordgroepen nauwelijks zeggen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stulp v. (stolp, hut), Mnl. stolpe, waaruit Hgd. stulpe + Mndd. stolpe = kleine balk, Meng. stulpe = post, On. stolpi = staak: van denz. wortel als stelpen. Van hier nog Hgd. stülpen = bedekken, tegenhouden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

stolp s.nw. Ook stulp.
Klokvormige bedekking, gewoonlik van glas of plastiek.
Uit Ndl. stolp (1854 - 1855), stulp (1568). Mnl. stolpe het slegs 'deksel om vuur mee te doof' beteken; die ander bet. soos in Afr. het later ontwikkel. Eerste optekening in Afr. van stolp by Mansvelt (1884) onder die trefwoord stulp.
D. Stulpe (16de eeu, wsk. ook in die Mnl. bet.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stolp, van stelpen (z. d. w.) = tegenhouden, n.1. ’t stof, enz. Zie Stulp.

Stulp, van stelpen (z. d. w.) = tegenhouden, hier n.1. den regen, wind, enz. en daarom ook: hut. Zie ook Stolp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stolp ‘bolvormig glazen afdeksel’ -> Indonesisch setolop ‘bolvormig glazen afdeksel’; Ambons-Maleis stòlok ‘deksel’; Javaans setolep, setolup, setrolup ‘bolvormig glazen afdeksel’; Kupang-Maleis stòlok ‘deksel’; Madoerees tolep, satolep, satolēp ‘hangstolp, lantaarn’; Menadonees stòlok ‘deksel’;? Rotinees totòlok ‘soort van schutsel gemaakt van maishulsels rondom het rijstblok om het uitspringen van de korrels bij het stampen te beletten’; Soendanees istrolop ‘deksel’; Ternataans-Maleis stòlok ‘deksel’; Papiaments † stulp ‘deksel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stolp* deksel 1568 [WNT]

stulp* deksel 1599 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2180. De stoep is daar glad.

Men bezigt deze zegswijze, als er veel meisjes uit hetzelfde gezin kort achtereen trouwen: ‘de vrijers kunnen het huis niet voorbij, maar struikelen als 't ware op de stoep’ (Ndl. Wdb. V, 2). Liever zou ik verklaren ‘er komen veel vrijers over den stoep, die daar door glad wordt,’ blijkens Dardanelli, Hist. d. Queesters, 282: Na dien zy (zekere boerendochter) in den somer weinig besoeck hadde, maar 's winters was de neering goed, dan wierd de drempel gladAangehaald in Ndl. Wdb. III, 3285.. Ook in het fri.: de stoepe es dêr glêd; der leit siippe op 'e stoepe of de drompel is dêr glêdKomen ergens geen vrijers dan zegt men: Ik scil de drompel whet ûfskûrje of de frijers wâdzje dêr de drompel net swart. Hier wordt dus gedacht aan een gladden stoep, waarover de vrijers gemakkelijk naar binnen glijden.; Draaijer, 40: de stupe is daor glad, de meisjes gaan daar grif weg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut