Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stokvis - (gedroogde vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stokvis zn. ‘gedroogde vis’
Mnl. stocvisch [1388; MNW].
Samenstelling van → stok 1 en → vis.
Stokvis is omwille van de houdbaarheid op een gestel van latten gedroogde vis, vooral kabeljauw. De benaming is afkomstig uit de Middelnederduitse verkeerstaal van het handelsverbond Hanze, en daaraan eveneens ontleend door het Hoogduits, het Engels en de Scandinavische talen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stokvis* [gezouten vis] {stocvisch 1366} zo genoemd naar het drogen op stokjes.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stokvis znw. m., mnl. stocvisch > nhd. stockfisch (sedert de 14de eeuw door de handel van de Hanse) en ne. stockfish (sedert 1290, vgl. Bense 474). De verhouding tot on. stokkfiskr, nde. stokfisk, nzw. stockfisk is niet duidelijk; enerzijds treden deze woorden eerst laat op in het noordgerm. (in het zw. eerst 1619), wat herkomst uit het mnd. doet vermoeden; anderzijds is het bij een woord als dit wel verklaarbaar dat het eerst laat in de bronnen vermeld is, terwijl het drogen van de vis aan stokken toch zeker van oudsher in Skandinavië in gebruik zal zijn geweest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stokvisch znw. Reeds mnl., mhd., mnd., laat-on. Voor de bet. vgl. bij kabeljauw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stokvisch m., + Hgd. stockfisch: volgens Olaus Magnus, xx, 9 en 20, zoo genoemd omdat ze voor het koken met stokken murw geslagen worden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stokvis s.nw.
1. Donkerkleurige seevis met 'n spits kop, wat tot 1,2 meter lank word en volop langs die S.A. weskus voorkom. 2. Kabeljou wat hard gedroog is aan 'n stok.
Uit Ndl. stokvis (Mnl. stockvisch) 'verskeie visse van die geslag Gadus wat dikw. op stokke gedroog word'. Die vis word so genoem omdat dit dikw. op stokke gedroog is, of omdat die lang, dun gedroogde repe vis aan stokke herinner.
D. Stockfisch (14de eeu), Eng. stockfish (1290 in die vorm stokfhis), Fr. stockfisch (14de eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm stokvisch (1887).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stokvis: viss. (Merluccius capensis, fam. Merlucciidae); Ndl. stokvis(ch), Mnl. stockvisch, Hd. stockfisch, Eng. stockfish, blb. ontln. aan Skand. v. Merluccius vulgaris, fam. Merlucciidae, en volksn. n.a.v. feit dat dié viss. gew. aan stokke gedroog is; by vRieb stokvisch.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

stokvis: 1) mager persoon. Van de uitdrukking zo mager als een stokvis.

Zoo’n misselijke stokvisch met O-beenen durft mij rolpens te noemen. (De Vooys, Scheldnamen, spotnamen en vleinamen. Uit: Taalkundige opstellen. Deel III, 1941)

2) (meestal voorafgegaan door droge) saai, stijf iemand.

Ze zullen jou die fulpe tulp (een ongewenschten ouden vrijer), Die drooge stokvis half vergeeven… (J. van Hoven, De Gelukte List, op Driekoningen avond. Kluchtspel, 1715)
Die drooge stokvisch! (Johannes Kneppelhout, Studentenleven, 1841-1844)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stokvis ‘gedroogde kabeljauw’ -> Engels stock-fish, stockfish ‘gedroogde kabeljauw’; Duits Stockfisch ‘gedroogde kabeljauw’; Deens † stokfisk ‘gedroogde kabeljauw; saai en stijf persoon’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans stockfisch ‘gedroogde kabeljauw’; Italiaans stoccafisso ‘gedroogde kabeljauw; magere persoon’; Hongaars tőkehal ‘gedroogde kabeljauw’ ; Papiaments † stokvis ‘gedroogde kabeljauw’; Sranantongo tokofisi ‘gedroogde kabeljauw’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

stokvis. Onder het trefwoord haring bleek al dat de Nederlandse visvangst en visexport hebben geleid tot een groot aantal Nederlandse uitleenwoorden. Ook het Nederlandse woord stokvis is aan diverse talen uitgeleend. Stokvis is eigenlijk 'harde, op een stok gedroogde en gezouten vis, die na gebeukt en in water geweekt te zijn, gekookt gegeten wordt'. Het WNT merkt op: 'De naam is blijkbaar ontleend aan het drogen aan stokken, doch is voor het gevoel meer verbonden aan het harde en droge voorkomen en de lange en smalle stukken.'

Het Nederlandse woord is in de dertiende eeuw geleend door het Engels als stock-fish, in de veertiende eeuw door het Duits als Stockfisch en door het Frans als stockfisch (met als oudste vorm stocqvisch). In het Italiaans is stoccafisso bekend sinds de vijftiende eeuw (1432; zie illustratie 19). Het wordt niet alleen gebruikt voor 'in de buitenlucht gedroogde vis', maar ook figuurlijk voor een 'magere persoon' (die vergelijking ligt voor de hand; in het Nederlands zegt men wel: hij is zo mager als een stokvis). In het Sranantongo tot slot is tokofisi bekend, dat ook terug kan gaan op het Engels.

In de Scandinavische talen is het woord ook bekend, vergelijk Noors stokkfisk, Deens stokfisk en Zweeds stockfisk; aangezien de vis in de Nederlanden oorspronkelijk werd aangevoerd uit Scandinavië, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat het Nederlandse woord aan een van de Scandinavische talen is ontleend en niet andersom.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stokvis* gezouten vis 1366 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2188. Ieder wat van de stokvisch(vellen),

ieder moet er wat van hebben, ieder zijn deel; eerlijk deelen. Dit gezegde komt in de 17de eeuw voor in 't Sacspiegeltje, bl. 187: Dewyl yder wel wat van de Indische stockvisvellen diende te hebben wert den pachuus-meester door den heer directeur behendich voorsien van de alderbeste, eerste en bestencoops incoop van amphioen of opium uijt Pattena, rouwe zijde en armosynen uit Cassimabasaar; zie verder Tuinman II, 114: Elk het zyne, dat deelt best. Elk zyn deel in de stokvischvellen; Harreb. II, 309; Molema, 567: Elk wat van de stokvis!; fri. elk hwet fen 'e stokfiskfellen; oostfri. elk wat von de Stockfisch (Eckart, 505).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut