Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stokpaardje - (lievelingsbezigheid, hobby)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stokpaardje zn. ‘lievelingsbezigheid, hobby’
Nnl. in hebben ook de bejaarden hunne stokpaardjes niet? ‘... hun hobby's’ [1783; iWNT].
Samenstelling van → stok 1 en → paard, gevormd naar het voorbeeld van Duits Steckenpferd ‘kinderspeeltuig’ [1605; Kluge21], ‘lievelingsbezigheid’ [1763; Kluge21], als vertaling voor Engels hobby-horse ‘geliefde bezigheid’ [1676; OED], eerder al ‘stok met paardenkop als kinderspeeltuig’, zie verder het hierop gebaseerde leenwoord → hobby. Merkwaardig genoeg is de letterlijke betekenis in het Nederlands veel later geattesteerd: De jongen heeft zijn stokkepaard En snelt ... Den heuvel op en af [ca. 1860; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stokpaard [speelgoed: stok met paardenhoofd, iemands favoriete onderwerp] {1783 als ‘favoriet onderwerp’; als ‘speelgoed’ 1869} vgl. hoogduits Steckenpferd en engels hobby-horse.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stokpaard [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 244 [1969].

stokpaardje znw. o., gaat uit van het kinderspeelgoed, evenals nhd. steckenpferd (als speelgoed reeds eind 16de eeuw), dat de bet. van ‘liefhebberij’ aan het ne. hobby-horse (sedert 1676) ontleende.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stokpaardje znw. o. In overdr. bet. wsch. evenals hd. steckenpferd o. sedert de 2. helft der 18. eeuw. Eng. hobby-horse in deze bet. al 1676.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stokpaard o., + Hgd. steckenpferd: stok die tot paard dient; cf. te paard rijden op een bezemstok.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stokperdjie s.nw.
1. Gunsteling tydverdryf of onderwerp. 2. Speelgoedstok met 'n perdekop waarop kinders ry.
Uit Ndl. stokpaard (1783 in bet. 1, 1830 - 1835 in bet. 2 in die vorm stokpaardjes). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm stokpêrdtji.
Ndl. stokpaard uit Hoogduits steckenpferd (einde 16de eeu).
Vgl. Eng. hobby-horse.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stokpaardje (Duits Steckenpferd)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stokpaardje iemands favoriete onderwerp 1783 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2189. Hij zit op zijn stokpaardje,

d.w.z. hij spreekt over zijn geliefkoosd onderwerp of denkbeeld; ontleend aan het kinderspel. Een jongen zit graag op een stok met een paardenkop er aan, en verbeeldt zich een ruiter te zijn; dat is een van zijn lievelings-bezigheden. Zoo zit een volwassene op zijn stokpaardje, wanneer hij mag spreken over wat hij aangenaam vindt, over zijn lievelingsarbeid of over een onderwerp, waaraan hij bij voorkeur zijne aandacht wijdt. Op de oudste plaats is er sprake van een ‘hobbelpaard’; vgl. C. Wildsch. III, 204: De Heer de Groot had ondertusschen zulk een weg op zijn hobbelpaard afgelegd, dat hij niet zien kon dat Keetje geeuwde; Busk. Huet, Rembr.2 199: Elke eeuw heeft hare hobbelpaarden; Kunstl. II, 180: Dan zag ie ze (zoo'n menschenkrans) wippen, leuterig en saai, met een pedant-stom lachje op hun meening-hobbelpaardjes; Ndl. Wdb. VI, 776; XII, 59. ‘Stokpaardje’ komt voor in Harreb. II, 309; V. Janus, 276; Van Eijk II, nal. 39; Handelsblad, 23 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 4; Nkr. III, 25 Dec. p. 6; Potgieter, Verh. en Vert. II 34; Nkr. IX, 27 Dec. p. 2: Zij (de Soc. Dem. Kamerleden) hebben hun stokpaardje reeds bestegen en zijn op deze vurige rossinanten manmoedig het politieke tournooiveld binnen gereden; VII, 31 Mei p. 2; Nw. Amsterdammer, 2 Januari 1915 p. 1 k. 4: Politieke stokpaardjes; Diamst. 323; enz. Afrik. iemand ry op sy stokperdjie. Vgl. eng. to ride one's hobby(-horse); hd. sein Steckenpferd reitenOntleend aan 't Engelsch door de vertaling van Sterne's Tristram Shandy; zie Zeitschr. f. D. Wortf. XIII, 124.; fr. chevaucher son dada; chacun a son cheval de bataille ou sa marotte, dat herinnert aan onze verouderde uitdr. ieder zot heeft zijn marot (zotskolf).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal