Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoken - (porren; laten branden; opruien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoken ww. ‘porren; laten branden; opruien’
Onl. stukken ‘prikkelen’, alleen als glosse 3e pers.ev. pret. stukida [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. stoken ‘aansporen, opruien; tergen’ [1240; Bern.], ‘aansteken’ in ochtic nu moste stoken Dat uegeuir ‘als ik nu het vagevuur kon aansteken’ [1265-70; VMNW], ‘stoten, bonzen’ in Doe hi quam sijn doorken stoken ‘toen hij op zijn deurtje kwam bonzen’ [14e eeuw; MNW], ‘brandende houden’ in Die erghens vier maecte ochte stoickte ‘die ergens vuur maakte of brandende hield’ [1300-1450; MNW] en stocken in Soo sal nyemant stocken ... smorgens eer den dach geblasen is ‘Daarom mag niemand 's morgens vóór de reveille stoken’ [eind 15e eeuw; MNW]; vnnl. ook ‘peuteren’ in Hoe comt dat de sommeghe huer tanden stoken ‘Hoe komt het dat sommigen hun tanden (schoon)peuteren’ [1523; iWNT].
Voor Oudnederlands stukida (Wachtendonckse psalmen) wordt frequentatieve geminatie van de k aangenomen, zulks op grond van de verwantschap met de Oudsaksische vorm (met Oudhoogduitse uitgang) stuckent en het Oudfranse leenwoord estochier. Zoals gebruikelijk in genoemde tekst is deze geminatie niet uitgedrukt door dubbelschrijving van de medeklinker. Daarentegen schuilt er achter de Middelnederlandse vorm stoken geen geminatie; deze moet op een niet-gegemineerde variant van Oudnederlands stukken worden teruggevoerd. Enkele attestaties van stocken getuigen dat daarnaast de gegemineerde variant nog in het Middelnederlands voorkwam.
Os. stukkian ‘prikkelen, aanvallen’ < pgm. *stukjan-. Daarnaast mnd. stoken ‘(vuur) oppoken; peuteren, porren, opporren’, waaruit vnhd. stochen ‘oppoken’ en een afgeleid intensivum nhd. stochern ‘ergens in poken, peuteren’); < pgm. *stuk(k)ōn-. De pgm. vormen met hun nultrap in de stam zijn te beschouwen als frequentatieven bij → steken.
Het Oudnederlandse woord is ontleend als Oudfrans estochier ‘met een degen stoten’ [eind 12e eeuw; TLF], estoquer ‘id.’ [1200-25; TLF]. Me. stoken ‘(met een degen) doorboren’ is wrsch. aan het Oudfrans ontleend. Ne. stoke ‘stoken, laten branden’ staat hier los van en is een terugvorming uit stoker ‘stoker’ [17e eeuw], dat is ontleend aan het Nederlands.
Lit.: De Grauwe 1979, 117-118

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoken* [laten branden, opruien] {stoken 1201-1250 in de betekenis ‘steken, stoten, oppoken (van vuur), aanvuren tot’} middelnederduits stoken; ablautend bij stuiken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoken ww., mnl. stōken ‘stoten, steken, poken, stoken, prikkelen, aansporen, aanvallen’, mnd. stōken ‘porren, peuteren, poken, stoken’ (daarnaar nhd. stocken, stochern), ne. stoke ‘stoken’. — Het woord staat formeel abl. naast stuiken, maar er is eveneens een correlatie met steken (J. de Vries PBB 80, 1958, 17). — > ne. stoke ‘het vuur opporren’ (sedert 1660, vgl. Bense 475).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoken ww., mnl. stōken “stooten, steken, poken, stoken, prikkelen, aansporen, aanvallen”. = mnd. stōken “porren, peuteren, poken, stoken” (waarnaar nhd. stochen, stochern), eng. to stoke “stoken” (ook noorw. dial. stoka, stuka “lawaai maken”?), reeds os. (of ohd.?) stuckent “lacessunt”, oudfrank. stukida “irrilavit” (of û? Zie stuiken). Ablautend met stuiken; wgerm. *stukôn is een formatie als ags. stician (zie steken).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stoken. Evenals stok (zie ald. Suppl.) zou ook dit woord bij steken kunnen behoren, maar hier is dit minder wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoken 1 o.w. (vuur onderhouden), Mnl. id. + Hgd. stochen, dial. Eng. to stoke: abl. van stuiken.

stoken 2 o.w. (de tanden zuiveren), + Hgd. stochern: hetz. w. als stoken 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stook ww.
1. 'n Vuur aan die gang hou. 2. Aanhits. 3. Baie rook. 4. Distilleer. 5. Verbrand om te verwarm of dryfkrag te ontwikkel.
Uit Ndl. stoken (1509 in bet. 1, 1566 - 1600 in bet. 2, 1634 in bet. 3, 1668 in bet. 4, 1866 in bet. 5). Ndl. stoken hou deur klinkerwisseling verband met stuiken (Mnl. stuken) 'stoot' of dalk steken (al Mnl.) 'steek'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. stoke (1683 in bet. 1, 1837 in bet. 4). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1977 in bet. 3).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stoken, van den Idg. wt. stug = stooten; letterlijk dus: in het vuur stooten; er in poken, om het harder te doen branden. – Stokebrand staat voor brandstoker, vgl. brekespel met spelbreker, enz. Stokvisch: daar ze aan stokken gedroogd wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoken ‘(met een pook vuur) aanwakkeren; opruien; destilleren’ -> Frans estoquer ‘met de degenpunt raken (verouderd); (een stier) doodsteken’; Frans estoc ‘lange rechte degen’; Spaans estoque ‘(stoot)degen’ ; Baskisch istokada ‘degenstoot, treffer met een pijl’ ; Bretons stok ‘aanraking’ ; Zuid-Afrikaans-Engels stook ‘sterkedrank destilleren’ ; Papiaments † stook ‘laten branden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoken* opruien 1240 [Bern.]

stoken* laten branden 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut