Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stok- - (zeer, uiterst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stok- voorv. ‘zeer, uiterst’
Mnl. stoc stille ‘zo bewegingsloos als een stok’ [1265-70; VMNW]; vnnl. stockdoncker ‘zeer donker’ [1591; iWNT], stockoud ‘zo oud dat men zo stijf is als een stok’ [1599; Kil.], stock-blind, steck-blind, stick-blind ‘zo blind als een stok, uiterst blind’ [1599; Kil.], stokstijf ‘zo stijf als een stok, uiterst stijf’ [1649; iWNT verkrimpen]; nnl. stokkedoof ‘uiterst doof’ [1764; iWNT].
Het voorvoegsel stok- is op een vergelijkbare manier ontstaan als bijv.bere- en → dood-. In de oudste combinaties is de oorspr. betekenis ‘zo ... als een stok’ meestal nog herkenbaar, maar in jongere combinaties is de betekenis afgezwakt tot ‘uiterst, zeer’. Door deze kracht bijzettende functie is dit voorvoegsel sterk affectief, waardoor er gemakkelijk klankvarianten konden optreden. Zo ontstond naast stockblind de neven- en tegenwoordig gewone vorm stekeblind (reeds mnl. stekeblint [1450-1500; MNW]), mogelijk mede door volksetymologische associatie met het uitsteken van de ogen. Naast stockdoncker ontstond de neven- en tegenwoordig gewone vorm stikdonker (vnnl. stick-doncker [1637; Statenbijbel]).

stok- voorv. ‘zeer, uiterst’
Mnl. stoc stille ‘zo bewegingsloos als een stok’ [1265-70; VMNW]; vnnl. stockdoncker ‘zeer donker’ [1591; iWNT], stockoud ‘zo oud dat men zo stijf is als een stok’ [1599; Kil.], stock-blind, steck-blind, stick-blind ‘zo blind als een stok, uiterst blind’ [1599; Kil.], stokstijf ‘zo stijf als een stok, uiterst stijf’ [1649; iWNT verkrimpen]; nnl. stokkedoof ‘uiterst doof’ [1764; iWNT].
Het voorvoegsel stok- is op een vergelijkbare manier ontstaan als bijv.bere- en → dood-. In de oudste combinaties is de oorspr. betekenis ‘zo ... als een stok’ meestal nog herkenbaar, maar in jongere combinaties is de betekenis afgezwakt tot ‘uiterst, zeer’. Door deze kracht bijzettende functie is dit voorvoegsel sterk affectief, waardoor er gemakkelijk klankvarianten konden optreden. Zo ontstond naast stockblind de neven- en tegenwoordig gewone vorm stekeblind (reeds mnl. stekeblint [1450-1500; MNW]), mogelijk mede door volksetymologische associatie met het uitsteken van de ogen. Naast stockdoncker ontstond de neven- en tegenwoordig gewone vorm stikdonker (vnnl. stick-doncker [1637; Statenbijbel]).

stok- voorv. ‘zeer, uiterst’
Mnl. stoc stille ‘zo bewegingsloos als een stok’ [1265-70; VMNW]; vnnl. stockdoncker ‘zeer donker’ [1591; iWNT], stockoud ‘zo oud dat men zo stijf is als een stok’ [1599; Kil.], stock-blind, steck-blind, stick-blind ‘zo blind als een stok, uiterst blind’ [1599; Kil.], stokstijf ‘zo stijf als een stok, uiterst stijf’ [1649; iWNT verkrimpen]; nnl. stokkedoof ‘uiterst doof’ [1764; iWNT].
Het voorvoegsel stok- is op een vergelijkbare manier ontstaan als bijv.bere- en → dood-. In de oudste combinaties is de oorspr. betekenis ‘zo ... als een stok’ meestal nog herkenbaar, maar in jongere combinaties is de betekenis afgezwakt tot ‘uiterst, zeer’. Door deze kracht bijzettende functie is dit voorvoegsel sterk affectief, waardoor er gemakkelijk klankvarianten konden optreden. Zo ontstond naast stockblind de neven- en tegenwoordig gewone vorm stekeblind (reeds mnl. stekeblint [1450-1500; MNW]), mogelijk mede door volksetymologische associatie met het uitsteken van de ogen. Naast stockdoncker ontstond de neven- en tegenwoordig gewone vorm stikdonker (vnnl. stick-doncker [1637; Statenbijbel]).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stekeblind* [helemaal blind] {stekeblint 1534, vgl. steckblint, stockblint 1599} voor het eerste lid vgl. stok-.

stekezot [stapelgek] {1926-1950} voor het eerste lid vgl. stok-.

stikdonker* [volkomen donker] {1688} voor het eerste lid vgl. stok-.

stikvol* [zeer vol] {stickevol 1599, vgl. stekevol 1401-1450} voor het eerste lid vgl. stok-.

stok-* [versterkend voorvoegsel] {in bv. stoc stille [stokstil] 1265-1270} eigenlijk ‘zo stil als een stok’, waarbij stok- de betekenis ‘in hoge mate’ kreeg, vandaar stokoud e.d., waarbij als varianten optraden steke- (middelnederlands stec [stok]) en stik-, vgl. stekeblind, stikdonker.

stokdoof* [volledig doof] {1764} voor het eerste lid vgl. stok-.

stokoud* [zeer oud] {stocout na 1544} voor het eerste lid vgl. stok-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stekeblind znw., mnl. stēkeblint, stockeblint, Kiliaen steckblind, stickblind, stockblind, dat hij verklaart ‘geheel blind zodat men met een stok de weg moet aftasten’, ook stekblind ‘exoculatus’. Voor dit affectieve versterkende praefix zie: stokdoof.

stik 3 in samenstellingen als stikdonker, stikheet, stikvol zie: stokdoof.

stokdoof bnw. naast Kiliaen stekblind, stekdood, stickevol maar weer stockstille; ook nnl. vinden wij stekeblind en stikdonker. Het 1ste lid is gevoeld als een sterk affectief praefix, waardoor klankvarianten gemakkelijk konden optreden. In andere talen vinden wij gelijksoortige varianten, mnd. stokblint en stickedūster, nhd. stockblind en stickdunkel. — Men zal moeten uitgaan van uitdrukkingen, waarin het stijve, onbewegelijke de vergelijking met een stok of stek opriep, zoals stekdood, stokstil, waaraan zich stokdoof gemakkelijk aansluit. In stikdonker kan associatie met pikdonker gewerkt hebben, maar eveneens de gedachte aan het gevoel van verstikking in een volledige duisternis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stekeblind bnw., reeds mnl. Zie stokdoof.

stok [...] De associatieve betrekkingen tusschen stok en hiermee niet direct verwante, maar tengevolge van toevalligen ablaut geassocieerde woordstammen blijken ook uit de gelijke functie van stokdoof, stekedoof, stikdoof in stokdoof, stekeblind, stikdonker e.dgl.: vgl. Kil. stekblind = stickblind = stockblind. Een oud woord is mnl. (o.a. Maerlant), Kil. stockstille, misschien ook ons stokstijf en verder Kil. stekdood, stickevol. Uit dgl. vormen abstraheerde ’t taalgevoel een versterkend stok-, steke-, stik- (vgl. steen-). Dgl. prefixen ook in andere w.- en ngerm. talen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stekeblind bijv., met stek 1: z. stokblind.

stikdonker bijv., met stek 1: z. stokblind.

stokblind, stokdonker, stokdood, stokdoof bijv., : analogievormen naar stokstijf: vergel. bloedarm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stikdonker b.nw., s.nw. Ook stikdonkerte (as s.nw.).
Volkome donker, of toestand van volkome donkerte.
Uit Ndl. stikdonker (1688), 'n samestelling van stik- en donker. Ndl. stik- is 'n wisselvorm van stok-, soos bv. in stokstyf, en ontwikkel uit steken (al Mnl.) 'steek', in hierdie konteks in die bet. 'wat bly steek by sien', wat wsk. verband hou met die Afr. gesegde om geen steek te kan sien nie.

stok- aanvangskomponent van byv. samestellings
Heeltemal, baie.
Uit Ndl. stok- (Mnl. in die samestelling stoc stille 'stokstil'). Byv. samestellings met Ndl. stok- is gevorm om veelseggende vergelykings met 'n stok daar te stel, bv. stokstijf 'so styf soos 'n stok' en stokstil 'so stil soos 'n stok'. Onder die invloed van die versterkende aanvangskomponente Ndl. stik-, soos in stikdonker (1688), en steke- (Mnl. stec 'stok'), soos in stekeblind (1599 stekblind), is verskeie samestellings met stok- gevorm, wat uiteindelik in Afr. ontleen is, bv. stokblind, stokdoof, stokflou, stokoud, stokstil, stokstyf. Die samestelling stokalleen, met sy versterkende vorme stoksielalleen en stoksiel-saligalleen, is die enigste samestellings wat in Afr. self gevorm is.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

In stokblind, stokdoof enz. heeft stok een versterkende kracht, op voorbeeld van: stokstijf (zoo stijf als een stok; stijver kan ’t niet), vgl. bijv. doodarm met doodziek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stekeblind* helemaal blind 1534 [MNW]

stekezot stapelgek 1610-1622 [WNT steke-]

stikdonker* volkomen donker 1688 [WNT]

stikvol* zeer vol 1599 [Kil.]

stokstijf* helemaal stijf 1660 [WNT]

stokstil* helemaal stil 1265-1270 [CG Lut.K]

stokdoof* volledig doof 1764 [WNT]

stokoud* zeer oud 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2167. Stekeblind zijn,

d.w.z. geheel en al blind zijn. Naar analogie van stokstijf, zoo stijf als een stok, dus zeer stijf, maakte men ook stockblind, stocknar, stockstille, stockoud (18de eeuw steenoudBij E. Wolff - Bakker.); enz., d.w.z. zeer blind, geheel en al gek, zeer doof, zeer oud; enz. Ook in het hd. zijn stockblind, stockdumm, stockdunkel, stocktaub, stockfinsterMen verklaart dit ook wel als finster wie im Stock (gevangenis)., stockfremd, stocknackt (ofri. stocknakad); fri. stokearm, -deaf, -neaken, -rjucht, -stil, op deze wijze gevormd. Was men nu eenmaal gewend geraakt aan dergelijke samenstellingen, dan kon men licht in de plaats van stok ‘hiermede niet direct verwante maar tengevolge van toevalligen ablaut geassocieerde woordstammen als stick en steck ter versterking bezigen.’ Zoo ontstonden stickblind, steckblind, stikdonker (dial. hd. stichedunkel) en de Zuidnederlandsche analogen stekevet, stekezot; zie Pelgrimage, 81 c: Ic (gierigheid) make den luden stekeblint te middage, dat si niet en mogen sien; Kil. steck-blind, j. stick-blind, stock-blind; stick-siende, j. by-sienigh; V.d. Water, 135: stik koud, zeer koud; Taal- en Ltb. V, 237-239; Mnl. Wdb. VII, 2044; Joos, 126; Lexer II, 1185: stic und vinster, so finster dass man keinen stic (punkt) sehen kann(?); zie Wilmanns, Deutsche Gramm. II, § 414; Franck-v. Wijk, 669; Leuv. Bijdr. VI, 228Eene andere verklaring in Tijdschrift XXXIII, 94, waar gewezen wordt op de verwantschap der begrippen steken en donker zijn..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut