Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stok - (recht stuk hout, staaf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stok 1 zn. ‘recht stuk hout, staaf’
Onl. stok ‘boomstronk, stam’ in het toponiem Stocheta (met collectiefsuffix) [1119; ONW] (bij Loo, Noord-Frankrijk) en ‘paal’ in het toponiem Stocdam (onbekende plaats in Zeeland) [1197; ONW]; mnl. stoc ‘schandblok’ in men salne setten drie daghe in den stoc ‘men zal hem drie dagen in het schandblok zetten’ [1237; VMNW], stoc ‘boomstronk; schandblok, offerblok’ [1240; Bern.], ‘voorraad’ in van sinen stock ‘van zijn voorraad’ [1355-1436; MNW], ‘boomstam’ in die en ontsien stoc noch struuc ‘die ontzien stam noch struik’ [1437; MNW].
Os. stok ‘stengel, stronk, paal, stok’ (mnd. stok); ohd. stok, stoch ‘stam, stok, stronk, stengel, blok, paal’ (nhd. Stock ‘stok, stronk, blok’); ofri. stok ‘stok, staf, boom, blok’ (nfri. stôk ‘stok’); oe. stocc ‘stronk, stam’ (ne. stock); on. stokkr ‘stronk, blok, kast’ (nzw. stock ‘blok, stronk’); < pgm. *stukka-. Daarnaast mnd. stūke ‘boomstomp, -stronk’ < pgm. *stūkan-. Het Oudnederlandse woord is ontleend als Oudfrans estoc ‘stok’ [1172-74; FEW].
Stok wordt meestal als nauwverwant gezien met → stuiken ‘stoten’. Het woord drukt in deze opvatting oorspr. het resultaat uit van het stuiken: een afgehouwen of afgeslagen gedeelte, boomstam, stomp e.d. Het is dan naar de vorm vrijwel geheel vergelijkbaar met → stuk 1, d.w.z. een afleiding van een frequentatief *stukkōn bij stuiken. Volgens een andere opvatting gaat het om een frequentatief *stukkōn bij → steken. Stok zou in deze opvatting ‘pook, porder’ betekenen. Naar de vorm zijn beide opvattingen aannemelijk, naar de betekenis alleen voor zover het gaat om de betekenis ‘tak, stok’. De betekenissen ‘boomstomp, -stronk’ en ‘kale stam’ van stok, die niet vallen te rijmen met steken, zijn namelijk als essentieel te beschouwen op grond van het belang die deze hadden in het oude bosbedrijf, zie hiervoor → stok 2. Bovendien lijkt de betekenis ‘pook, porder’ als benoemingsmotief weinig waarschijnlijk, omdat deze slechts een van de vele gebruiksfuncties van de tak betreft en dan nog een van betrekkelijk ondergeschikt belang.
Een zeer oude betekenis van stok in de verschillende Germaanse talen is ‘boomstronk, stomp, stam zonder takken’, die in de verwante woorden staak en stek niet bewaard is gebleven. Een ontwikkeling van deze betekenis leidde tot ‘blok’, zoals in offerstok ‘offerblok’, aanbeeldstok ‘blok waarop het aambeeld rust’ en verder ‘blok aan het been van een gevangene’.

stok 2 zn. ‘voorraad speelkaarten’
Nnl. het aas is in de stok gebleeven [1717; WNT].
Hetzelfde woord als → stok 1, maar met de overdrachtelijke betekenis ‘voorraad’. Tegenwoordig is de betekenis vrijwel beperkt tot ‘voorraad kaarten op de speeltafel, waaruit kan worden getrokken of gedeeld’. Tot in de vorige eeuw was de betekenis ‘voorraad’ algemeen van strekking; deze heeft zich ontwikkeld uit de betekenis ‘boomstronk, stomp, stam zonder takken’. Deze laatste werd opgevat als de hoofdzaak, de producerende basis van de boom, waaraan jaarlijks de takken, het loof en de vruchten werden onttrokken die van groot belang waren voor de in en bij de wouden levende mensen. Het Engels kent de vroegste attestaties van deze betekenissen, namelijk een van ‘voorraad’ uit 1428 en een van ‘voorraad speelkaarten’ uit 1584. Of het Nederlands (met het Duits en de Scandinavische talen) deze betekenissen heeft ontleend aan het Engels staat echter niet vast. Dit ligt anders voor stock in de betekenis van ‘aandelenkapitaal’, dat in 1824 voor het eerst in het Nederlands is geattesteerd. Deze betekenis heeft zich in het Engels ontwikkeld uit ‘voorraad’ langs de weg van ‘geldvoorraad waaruit kan worden geput’ (1419) en bestond daar al in de 17e eeuw als aanduiding voor het in aandelen verdeelde kapitaal van een onderneming.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stok* [tak, staaf] {stoc(k) [boomstam, boomtak, stok, ook gevangenis, voorraad, oud mens] 1237} oudsaksisch, oudfries stok, oudhoogduits stoc, oudengels stocc, oudnoors stokkr; verwant met stuiken. De uitdrukking van zijn stokje vallen is eig. gezegd van een vogel. Met de uitdrukking een stokje voor iets steken [doen ophouden] is waarschijnlijk een ‘grendel’ bedoeld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stok znw. m., mnl. stoc m. ‘stok, paal, steel, stam, stronk’, os. stok, ohd. stoc (nhd. stock), ofri. stok, oe. stocc (ne. stock), on. stokkr. — In verband met de woorden stek en staak zou men een verbinding met steken gaarne aannemen, wanneer het vocalisme zich niet daartegen verzette (ofschoon men dit bezwaar wel uit de weg zou kunnen ruimen, vgl. Güntert, Abl. 83). — Zo blijft de afl. van stuiken zeker nog de overweging waard.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stok znw., mnl. stoc (ck) m. “stok, paal, steel, stam, stronk, tak, blok (o.a. voor gevangenen)” e.a. speciale bett. = ohd. stoc (cch; nhd. stock), os., ofri. stok (kk), ags. stocc (eng. stock), on. stokkr m. in dgl. bet. Verwant met stuiken en dus niet met steken; wel is in verschillende germ. talen stok met de woordgroepen van staak en steken in associatie getreden. Uit ’t Germ. de rom. woordgroep van ofr. estoc “stam”, it. stocco “stootdegen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stok. De categorische afwijzing van de verwantschap met steken berust op het vocalisme. Men kan echter met Güntert Abl. 83 hierin de voortzetting van een idg. reductievocaal (schwa secundum) zien (vgl. Hirt Idg. Gr. II, 82); dan is verwantschap met steken ten minste evengoed mogelijk als met stuiken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stok m. (in alle bet.), Mnl. stoc, Os. stok + Ohd. stoc (Mhd. id., Nhd. stock), Ags. stocc (Eng. stock), Ofri. stok, On. stokkr (Zw. stock, De. stok): z. stuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stek (zn.) stok; Vreugmiddelnederlands stok <1197>.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

stok 'boomstam, stronk, tak'
Mnl. stoc 'stam, staak, stronk', ook 'tak, rijs, twijg', ofri. stokk 'stok, staf', os. stokk 'stok, stengel', oe. stocc 'stronk, houtblok, stok', ohd. stoc 'stok, balk, stronk', ono. stokkr 'stok, balk'. Oorspronkelijk betekent stok 'boomstam', zowel de gehele stam als delen daarvan, met afgeleide betekenissen als 'balk', maar ook 'strafblok', 'bijenkorf' en 'offerblok'. Zeer frequent (in Nederland, Duitsland, België en Luxemburg) zijn samenstellingen met heem 'woonplaats, woning' (→ Stokhem), die, evenals → Houthem, wel wijzen op een oorspronkelijke bosbegroeiing respectievelijk de rooiing daarvan. Als perceelsnaam werd stok productief in Vlaanderen ter aanduiding van een kleinere rooiing of ontginning. Voor Stokrooie (B), 1154 Stoccherode, 1218 Stocrode1 is gedacht aan een gerooid bos waarvan -eventueel- de stronken zijn blijven staan. In de betekenis 'boomtak, rijs, twijg' treffen we stok aan als bepalend deel bij de grondwoorden voorde en dam, naar de bij de betreffende objecten gebruikte stokken: 1144 Stochfurd (ligging onbekend, bij Keulen, Dld)2, 1197 Stocdam (ligging onbekend, bij Oostburg)3.
In samenstellingen met stok vinden we in Noord-Brabant herhaaldelijk een heiligennaam: Onze Lieve Vrouwenstokske (Etten), → Quirijnstok en Sinterklaasstok (diverse malen). Een vermelding uit 1309 te Helvoirt werpt enig licht op de zaak: ad truncum, in quo consistit imago beati Nicolai4 'bij de boomstam waarin een beeld van de heilige Nicolaas is geplaatst', met lat. truncus 'boomstam, stronk', een vertaling van stok, dat door dit gebruik in betekenis kon evolueren tot 'kapelletje'.
Lit. 1Gysseling 1960 940, 2Gysseling 1960 940, 3Künzel e.a. 1989 333, 4OBNB 778.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

stok. De West-Vlaamse verwensing loop naar de stokken! drukt haat, verachting, boosheid enz. uit en betekent ‘maak dat je wegkomt, ik kots van je’. De relatie met ‘rustplaats voor vogels’, de letterlijke betekenis van stok, is geheel afwezig. In het Frans zou men zeggen que le diable t’importe!

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stok, volgens Prof. Kluge van den Idg. wt. stug = stooten (zie ook Stoken); verder: met de wapens stooten; het zou dus bet.: stootwapen. Volgens anderen is het afgel. van den Germ. wt. stek = stijf zijn; vgl. stokken (zie Stikken) = blijven steken; en verstokt = verstijfd, verhard.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stok ‘tak, staaf’ -> Engels † stoke ‘lengtemaat’; Russisch štok ‘stang of vierkant stuk hout met een speciale bestemming’; Javaans setok ‘titel van een gamelancompositie’; Petjoh op stok gaan, op stok zitten ‘spijbelen, opzettelijk school verzuimen’; Negerhollands stok ‘tak, staaf, mast, spaak’; Berbice-Nederlands stoko ‘tak, staaf’; Papiaments stòki ‘heester (Capparis flexuosa); stuk van de stengel van deze heester, dat vroeger gebruikt werd om er de tanden mee wit te maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stok* tak, staaf 1197 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

635. (Alle) gekheid op een stokje!

d.w.z. ‘gekheid of scherts ter zijde! laat ons de zaak in ernst behandelen! Zegswijze oorspronkelijk zinspelende op den gekstok of de marot der narren, en dus eigenlijk eene vermaning tot den gek of nar gericht om zijne dwaasheden vóór zich te houden en ernstig te zijn, doch later in ruimere toepassing ook tot anderen gezegd, wier gekheid of dwaasheid bij die van een nar vergeleken wordt’; Ndl. Wdb. IV, 955 en 959. Vroeger zeide men ook alle jok op een stok (o.a. Hopm. Ulr. bl. 73 vs. 5); alle gekken (ww.) op een stokje! (o.a. in Led. Uren, 258); alle gekken op een stok (in de Gew. Weuw. I, 23) en volgens Tuinman I, 373: alle gekken op een einde (hem schijnt op een stokje onbekend), waarmede te vergelijken is eene plaats uit de Klucht v.d. Pasquil-maecker, 11: Maer kom we sullen daer een voutje by slaen. Alle jock op een stock, alle gecken op een eynt en jy voor aenSchuermans, 322 b; De Bo, 1105 a en Ndl. Wdb. XI, 241; III, 4026..

Het is mogelijk, dat de in het Ndl. Wdb. gegeven verklaring de juiste is, ofschoon men toch eerder verwacht zou hebben, dat iemand tot den nar zeide: ‘alle gekheid op uw stokje!’ Vergelijken we evenwel de Zuidndl. uitdr. al lachen op een stoksken gebonden, d.i. alle gekscheerderij daar gelaten, en alle gekheid, alle konten op een stokje gebonden; alle lachen op een ende en alle zotten op 'nen kruiwagenWaasch Idiot. 377 a; De Cock1, 199. en het Groningsche toevoegsel en 't stokje in 't vuur (Molema, 117 a), dan is het niet onwaarschijnlijk dat de uitdr. wil zeggen: rol nu uw gekheid maar op, berg ze maar weg (vgl. Jord. 248: Alle gekheid onder 't zerkje). Vgl. hiermede L.v. Deyssel: Maar alle gekheid op een stokje als een vlaggetje vol fantasietjes dat wordt opgeroldPicnic in Proza2, bl. 324 (Amsterdam, S.L.v. Looy, 1899).. Ook in het Friesch: alle gekheit op in stokje. Ten slotte lijkt het mij nog het waarschijnlijkst, dat onze uitdr. een vervorming is van alle jok op een stok, waar de laatste woorden door 't rijm als van zelf zijn aangegeven. Zie voor dit verschijnsel De morgenstond heeft goud in den mond.

932. Wie een hond wil slaan, vindt licht een stok,

d.w.z. wanneer men iemand kwaad wil doen, vindt men altijd wel een voorwendsel; vgl. lat. male facere qui vult, numquam non causam invenit (Otto, 206); qui catulum caedit, corium, fert ipso, comedit; zie Goedthals, 58: die den hond smijten wilt, vindt lichte eenen stock; zoo ook bij Sartorius II, 2, 42; Servilius, 245*: men heeft haest eenen stoc gevonden die den hont smijten wil; Winschooten, 325: als men een hond wil slaen, soo kan men licht een stok vinden; Coster, 503, vs. 176; Brederoo, III, 312: Die een hont wil smyten die vint wel haest een stock. Varianten hiervan zijn Campen, 103: als men den Hont hangen wil soo heft hy leer gegeten of soo krijcht men wel haast en zeel of zo tijtmen hem tverwoede an (zie Spieghel, 286); vgl. het fr. qui son chien veut tuer la rage lui met sus (ou qui veut frapper un chien facilement trouve un bâtonLe Roux de Lincy I, 170.. Zie Suringar, Erasmus, CLV; Bebel, no. 22; Wander II, 823 en 862 vlgg.; Eckart, 222; Taalgids IV, 258; Harreb. I, 317; Joos, 206 en het fri.: men fynt sêft in stok om in houn to slaen; dy in houn smite wol kin altyd wol in stien fine; hd. wenn man den Hund prügeln will, findet men leicht den Stock; eng. it is an easy matter to find a staff to beat a dog; give a dog a bad name and hang him.

964. Op den hort zijn (of gaan),

d.w.z. er vandoor zijn of gaan; ook voor zijn pleizier er op uit zijn; hij is op den hort gegaan, d.i. aan den haal gegaan, bijv. met een vrouw. Dit hort (vgl. horten en stooten) zal wel hetzelfde woord zijn, dat voorkomt in het mnl. hort (huert) sijn, weg zijn, dat ook nog in de 17de eeuw wordt aangetroffen (Mnl. Wdb. III, 606 en Oudemans III, 166), waarnaast ook gebruikt werd hor zijn en hor (of horrie) gaan; vgl. Sewel, 346: Het touw is gebrooken, de vlieger is hor. Thans zegt men in de Zaanstreek nog hortekie wezen (Boekenoogen, 350). In de 18de eeuw in Boere-krakeel, 195: de hort opmoeten; bl. 208: de hort opgaen. Zie ook V. Schothorst, 145: hij is hurt of den hurt op; Landl. 12: Arremoedzaaiers die met de nachtboot de hort opmotte; bl. 31: Nou, toe is die meid dan de hort op geraakt; S.M. 40: Ze was toen al veertien dagen weg, maar niet op de hort. Syn. is op stok zijn of gaan (Indië) van een vrouw of een knecht gezegd; de jort op zijn (in A. Jodenh. II, 28); aan den bentel gaan, de runnik op gaan, aan de flort gaan, aan de gnart gaan (De Vries, 63).

1127. Hij heeft veel op zijn kerfstok,

d.w.z. hij heeft veel misdreven; hd. er hat viel auf dem Kerbholz; fri. hy het gâns op syn kerfstok; Afrik. hy het al baie op sy kerfstok. Onder een kerfstok verstond men vroeger een stok of hout, waarin kerven of insnijdingen werden aangebracht; bepaaldelijk een stok, die het ‘rekenboec’ (het afrekeningsboek, het boekje) vervangt bij personen, die niet schrijven kunnen; de betaling werd door een kerf of insnijding aangeduid, terwijl schuldeischer en schuldenaar elk een stok hadden, die te gelijk gekerfd werden en waarvan dus de insnijdingen nauwkeurig met elkander moesten overeenkomen, zoodat vervalsching onmogelijk was. Veel op zijn kerfstok hebben wil derhalve eig. zeggen veel schulden hebben, diep in de schulden zitten, doch wordt tegenwoordig alleen van zedelijke schulden gezegd; vgl. ook den kerfstok vol hebben in den zin van zooveel op zijn geweten hebben, dat er niet meer bij kan (zie ook Villiers, 61) en hoog op stok (= kerfstok) loopen, duur wordenHarreb II, 308 a; Paffenr. 102.; 17de eeuw en thans nog dial. zijn kerfstok is van ijzer, hij kan geen kwaad doen, hem wordt alles vergeven (Boekenoogen, 412). Zie het Mnl. Wdb. III, 1345; Tuinman I, 137; Schuerm. 234 a; Afrik. dit gaan bo sy kerf, dat gaat hem te ver naar zijn zin, en vgl. no. 972. In Zuid-Nederland zegt men op 'nen nieuwen kerf beginnen, de oude schuld betalen en weer eene nieuwe maken (Waasch Idiot. 336 a; Teirl. II, 125); veel op zijn kerf hebben; zie Antw. Idiot. 1805; De Bo, 511, waar uit Poirters wordt aangehaald:

En soo ick 't u eens seggen derf,
Daer staet al veel op uwen kerf.

Zie nog Volkskunde X, 26; De Cock1, 44; Wander II, 1243-1244; vgl. het Friesche breaprikke en breastok (kerfstok van den bakker).

Syn. van kerfstok is lat; vgl. Boekenoogen, 560; Ze haalt alles op de lat; Köster Henke, 38: lat, kerfstok. Me olmse (vader) had daar aardig op de lat (op de pof, op crediet) gedronken; een lange lat, veel schuldNdl. Wdb. VIII, 1040.; Amst. 99: Op de lat drinken (syn. van op lef drinken); Slop, 15: Op de lat drinken heeft z'n tegen, is ook niet dàt!; bl. 37: De kastelein dacht er aan dat de kermis slecht ging en er van Pier breed op de lat stond; P.K. 150: Er is geen cent meer in huis, en 'k heb overal op de lat gehaald; Amst. 172: 'k Zal zien dat ik voor de kinderen wat melk en brood op de lat krijg; Jord. II, 330: Vader Tram! ..... schreeuwde Piet naar 't buffet..... geen druppel op de lat!; zie ook bl. 355 en 362; in Twente: wat an de latte hebben.

Ook foelie heeft de beteekenis van kerfstok (eig. blad uit een koopmansboek); Köster Henke, 17: foelie, kerfstok: Je hebt veel op je foelie; Zandstr. 58: Omdat hij al zooveel op zijn foelie had; Dievenp. 98: 't Is 'n schandaal! vloekt ie, om me als 'n boef op te knappen, als ik niks op m'n foelie heb; ook foelielat (zie Peet, 406). Eveneens is dial. bekend iets op den reutel halen (vgl. Menschenw. bl. 99; 210; 513Vgl. De Vries, 92: Reutel, been uit een varkenspoot, waarin een paar gaatjes zijn geboord. Door deze gaatjes wordt een touw gestoken en nu kunnen de kinderen er een snorrend geluid mee maken. Of dit hetzelfde woord is?); Jord. II, 368: Riek, die beweerde dat ze alles op den reutel kon krijgen wat ze hebben wou; Menschenw. 538: Hij zoop op den reutel.

1156. Met de kippen op stok gaan,

d.w.z. reeds bij 't ondergaan der zon naar bed gaan; zeer vroeg naar bed gaan. Onder den stok of den boom verstaat men den staak met dwarsstokken, waarop de kippen in het hok naast elkander zitten te slapen; bij Halma, 220: Met de hoenderen naar bed gaan; vgl. voor de 18de eeuw W. Leevend III, 285: Mama kan wel begrypen, om ten vyf uuren beneden te komen; zy gaat ook met de kippen op stok; Sewel, 389: Met de kippen na bed gaan, to go to bed with the fowls very earlyIn letterlijken zin Schoolm., 144: Het is een vaste gewoonte bij de haan //Om met de kippetjes naar bed te gaan.; zie verder Harreb. I, 408; gron. mit de hounder op 't rik goan (Molema, 348); overijs. mit de hoonder noa 't rek goan. In het Westvl. naar zijnen roestestok gaan of van zijnen roestestok komen, gaan slapen of uit zijn bed komen (De Bo, 645 b); in Z. Brab.: met de kiekens (of de hennen) naar den nest gaan of gaan slapen; Afrik.: saam met die hoenders gaan slaap; vgl. evenzoo in 't fr. se coucher avec les poules; hd. mit den Hühnern zu Bette gehen; eng. to be (or to go) at roostVgl. Kiliaen: Roest, hinnenkot, sedile avium, pertica gallinaria; het vroegere roesten, te roest (eng. roost) gaan, van patrijzen gezegd, die dicht bij elkander kruipen en stil blijven zitten (Halma). In dialect is roest nog bekend; vgl. o.a. Antw. Idiot. 1035: roest, hoenderrek, staak waarop de hoenders slapen..

1338. Weer op de lappen zijn,

d.w.z. weder hersteld zijn, weer op de been zijn; onder ‘lappen’ verstaat men eig. de schoenzolen of lapzolen (Zuidnederl.); zie Boekenoogen, 558 en vgl. Waasch Idiot. 388 b: veur of op de lappen kommen, voor den dag komen; De Bo, 610 en Schuermans, 326: op zijne lappen zijn, gezond zijn; Antw. Idiot. 746: op de lappen zijn, aan den zwier zijn. De uitdr. is dus syn. met: weer op de been, op de proppen, op zijn stokken (Rutten, 220 b), ter leê zijn (Schuerm. 328 b); weder op de bouten komen (Ndl. Wdb. III, 759). Dezelfde beteekenis heeft ‘lappen’ in de uitdr. met iets op de lappen komen, met iets voor den dag komen, iets ter tafel brengen (Molema, 238), dat in de 18de eeuw voorkomt in de Brieven van Abraham BlankaartPenon V, 277; Kom aan! het Evangelie eens op de lappen. Want, hoe wy ook in veelen dwars van elkander afwyken, zo heb ik toch nooit bespeurt, dat wy over dat Boekje het niet eens waren!, alsook bij Harreb. II, 9: Hij durft er niet mede op de lappen komen; en in op de lappen gaan, 17de eeuw: zich op de lappen maken (in de Gew. Weeuw. II, 12); hd. sich auf die Socken machen; nd. sik up de Scholappen geven, er vandoor gaan; zie Welters, 90: hij geeft zich op de lappen, zolen (= op reis); Rutten, 129: op de of zijn lappen gaan, zijn of loopen (op zwier gaan; zie ook De Bo, 610 en Schuerm. 326; Claes, 132; Teirl. II, 200; Antw. Idiot. 746); Afrik. op die lappe kom, bring, openbaar worden, ter sprake komen. Ook in het Oostfri. is bekend frô up de lappen wesen, früh auf die Sohle sein, sich früh aufmachen (Ten Doornk. Koolm. II, 470 b); vgl. ook Eckart, 472; Woeste, 157: he mâket sich op de lappen; fri. op 'e lappen (komme).

2185. Het aan den stok hebben (of krijgen) met iemand,

d.w.z. ruzie, oneenigheid hebben of krijgen met iemandHet voorz. aan heeft hier de bet. van bezig zijn (zie Ndl. Wdb. I, 43).. Harreb. II, 308: Hij krijgt het met hem aan den stok; B. Huet, Rembr.2 348: Hij (De Ruyter) krijgt met een deensch generaal voor een keer het in zulke mate aan den stok, dat hij van boosheid zich de haren uit het hoofd trekt; Lvl. 170: Dezen Vrijdagavond krijgt-i 't heftig aan den stok met den infanterist Bermer; Gron. 239: Ik kan me best begrijpen dat je 't met Damstee dikwijls aan de stok had; Ibsen, Een vijand van 't volk (Wereldbibl.), p. 52: Je wilt het weer met je superieuren aan den stok hebben; De Arbeid, 27 Juni 1914, p. 1 k. 3: Wie het met hem aan den stok krijgt, die profiteert er van; Menschenw. 158: Aa's hullie mi Kees an de stok kraige.... steek ie hullie rejoal deur d'r donder; Zondagsblad v. Het Volk, 1905, p. 386: Met mijn vriend Charles krijg ik het niet gemakkelijk an den stok; Molema, 407; fri. it mei in-oar oan 'e stok hawwe; hwet is dêr wêr oan 'e stok, te doen.

2186. Van zijn stokje vallen,

In 't Waasche van zijn stekken liggen zal ‘stekken = beenen zijn.

d.w.z. flauw vallen; eig. gezegd van een vogel in een kooi of een hok; fri. fen 'e prikke, fen 't stokje falle; vgl. Harreb. II, 308; Nkr. VIII, 28 Maart p. 7: Toen viel ze van haar stokje, en toen ze weer bijkwam zat ze in de wachtkamer; Zandstr. 78: Van de week ben ik hier in de straat nog zóó van me stokkie gevalle; Zondagsblad v. Het Volk, 1905, p. 120: Daar buiten hadie toch haast van zijn stokje gevallen; Nw. Amsterdammer, 30 Jan. 1915, p. 7 k. 3: Ik zou een even lang verhaal moeten schrijven hoe de hoorders bijna van hun stokje vielen; Het Volk, 24 Sept. 1913, p. 5 k. 2; fri. fen 't stokje reitsje, onthutst, van zijn stuk (zie aldaar); Antw. Idiot. 1182: van zijne(n) stek vallen, kwalijk worden; in bezwijming vallen; Tuerlinckx, 592: van zijne stok vallen, in flauwte vallen; Waasch Idiot. 626: van zijn stekken liggen, ziek zijn; syn. van zijn centrum gaan (in Sjof. 224; zuidndl. van zijnen center gaan of vallen); van zijne petercelie vallen (Harreb. II, 180).

2187. Een stok(je) voor iets steken,

d.w.z. iets beletten, tegenhouden, doen ophouden; waarschijnlijk heeft men hier te denken aan een stok, die als grendel dienst doet, waardoor eene deur of een hek gesloten kan worden; vgl. in Twente: de deure op 'n stok doen; Harreb. II, 309 a: wij zullen er een stokje bij stekenSamensmelting van er een stokje voor steken en er een speldje bij steken., een speldje bij steken; Molema, 404 a: d'r 'n stikje bie steken, er mee ophouden of doen ophouden; Ganderheyden, Groningana, 62 b: d'er 'n stokje veur steken; Dievenp. 120; 136; Falkl. VII, 175; Nkr. III, 28 Maart p. 2; IX, 29 Mei p. 2; VII, 4 Jan. p. 2; 1 Nov. p. 3 (er een stokje bij zetten); Maasbode, 21 Aug. 1913 1ste bl. p. 1; Het Volk, 21 Januari 1914 p. 2 k. 1; B.B. 384 (er een stikje voor steken); enz. Eckart, 503; oostfri. d'r 'n stik för steken; ên 'n stikke steken, jemand hemmend in den weg treten; nd. doa will'n w'r doch 'n Pricken vörschloân (Eckart, 416); het hd. einen Pflock davor stecken; Woeste, 256 a: da well ik em en stöcksken vör steken (setten); eng. to put in the pin. In Zuid-Nederland: ergens (ievers) een spel(le) voor speten (of steken) naast ievers eenen stek veur steken (Schuermans, 654 a; De Bo, 1068 b; Antw. Idiot. 1154); Maastricht: urreges e schejke veur sleete (Breuls, 86).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut