Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoet - (brood)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoet 2 zn. ‘soort brood’
Mnl. stuyt ‘broodje van een bepaalde vorm’ [1477; Teuth.]; vnnl. stuyte, stoete ‘broodje’ en (dial.) ‘boterham’ [1588; Kil.].
Dialectvorm van → stuit, die alleen met deze betekenis in de NN standaardtaal is overgenomen. Het benoemingsmotief is wrsch. evenals van stuit als lichaamsdeel de vorm geweest, namelijk die van een stomp broodje. Het motief kan ook liggen in de bereidingswijze, waarbij valt te denken aan het afknotten c.q. afstoten van een stuk van het deeg (Debrabandere 2002). Wat betreft de bereidingswijze als motief is verder nog van belang, dat het deeg van bepaalde broodsoorten, zoals wittebrood, in bepaalde streken bij de bereiding werd ‘(door)gestoten’, dat wil zeggen gemengd door erop te slaan. In al deze gevallen wordt een verband met de werkwoorden → stoten en → stuiten verondersteld. Allengs is de benaming stoet regionaal uitgebreid tot onder meer langwerpige broodsoorten.
Het Mnd. heeft stute ‘tarwe- of witbrood’.
Lit.: J. Jobse-van Putten (1980), 'n Brood is ginnen stoeten, Amsterdam, 61-63 en 81-86

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoet2* [brood] {stoete [een broodje van een bep. vorm] 1599, vgl. stoetmande [broodmand] 1494} wel zo vanwege de vorm genoemd naar het lichaamsdeel stuit1, vgl. middelnederduits stut [bil, maar ook achterste].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoet 2 znw. m. ‘brood’, vgl. mnl. stoet-, stuutmande ‘broodmand’. De vorm met oe zal stammen uit het oostnl. of fries, immers Kiliaen geeft ook stuyre, vgl. wvla. stuite ‘snee brood’, urks stuutjes ‘witte broodjes’, verder nog mnd. stute. Hetzelfde woord als kampens stoet, ‘staartbeen’, mnd. stūt m. ‘achterste, bil’, on. stūtr m. ‘stompe hoorn; stomp’. Evenals homp betekent dus het woord ‘een dik en stomp gebakken brood’. — Zie verder: stuit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoet II (brood), reeds laat-mnl. in stoetmande “corbis”. Een fri.-oostndl. vorm met oe uit germ. û (vgl. stoer), door Kil. naast stuyte opgegeven (nog Waasch stuut m., wvla. stuite v. “snee brood”, Urksch stuutjes “wittebroodjes van 1 cent per stuk”): = Teuth. stuyt, mnd. stûte m. “stoet”. “Wsch. = Kamp. stoetǝ “staartbeen”, Waasch stuut m. “stuit”, mnd. stût m. “achterste, bil” (= on. stûtr m. “afgestompte horen”), ablautend met stuit. De stoet is dan naar den vorm genoemd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoet* broodsoort 1494 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut