Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoer - (fors)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoer bn. ‘fors’
Nnl. stoer ‘nors’ in Teugens zuk en stoeren Bol ‘tegen zo'n norse kerel’ [1766; iWNT], ‘fors’ in een breed en stoer Voorhoofd [1769; iWNT] en ‘onverzettelijk’ in Het ... profiel van den stoeren kalvinist [1883; iWNT]. Ook ‘flink, vlot’, zoals in ‘een jas die stoer staat’ [1960; Koenen].
Nevenvorm van het grondwoord van → stuurs, waarin echter de oorspronkelijke klinker *-ū- is behouden.
Nfri. stoer.
Aan stuur(s) en stoer waren van oorsprong dezelfde betekenissen verbonden. Het merendeel hiervan is echter in het algemene Nederlands in onbruik geraakt. Terwijl aan stuurs de betekenis ‘nors’ gehecht is gebleven, heeft stoer die van ‘fors’ behouden, wat zich in de loop van de twintigste eeuw heeft uitgebreid tot ‘flink en vlot’. De vorm stoer is thuis in de oostelijke dialecten en verschijnt in de tweede helft van de 18e eeuw in de algemene schrijftaal, in ongeveer dezelfde tijd dat stuur daarin door stuurs is vervangen. Een parallelle ontwikkeling vertoont het Duits, waarin vanuit de Nederduitse en Noord-Rijnlandse dialecten stur is doorgedrongen in de algemene taal, met de meer negatieve betekenissen van ‘stug, koppig, stompzinnig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoer* [potig] {1767} vorm met bewaarde oorspr. oe naast stuurs.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoer bnw. staat naast mnl. stuur (waarvoor zie: stuurs). Het eerst na Kiliaen optredende woord stoer zal wel uit een oost-nnl. dial. of uit het fri. ontleend zijn.

Men zou dit woord als hochstufe bij de onder star behandelde idg. wt. *ster kunnen verklaren, indien men nl. zou mogen uitgaan van germ. *stōra en dan kan men vergelijken ofri. stōr, os. stōri, on. stōrr ‘groot, sterk’ bij lit. stóras ‘dik’, osl. starŭ ‘oud’ en abl. gr. stereós ‘star, hard’. Maar het is beter bij stuur en stoer van een û uit te gaan en dan kan men het als een r-afl. opvatten van idg. st(h)āu, die bij stouwen besproken is; de groep ofri. stōr enz. kan men dan verklaren als afl. van de idg. wt. st)h)ā. (IEW 1008).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoer bnw., nog niet bij Kil. Met dial. oe uit germ. û (vgl. poezel) = mnl. stuur “sterk”; zie stuurs.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stoer. Als de etymologie van het art. juist is, moeten we het woord eerder als ontleend uit fri. of oostel. diall., dan als holl. relict met oe < û (vgl. kroes II Suppl.) beschouwen. Er is echter ook geen bezwaar tegen, identiteit aan te nemen met on. stôrr ‘groot, aanzienlijk’ (> ags. stôr), ofri. stôr ‘groot, zwaar’, germ. *stôra- (waarnaast *stôria- in os. stôri ‘groot, machtig’), een afleiding met r-formans bij de basis van staan = lit. stóras ‘dik’, obg. starŭ ‘oud’. Mansion Leuv. Bijdr. 11, 247 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoer bijv., met dial. oe uit û = stuur.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoer* potig 1767 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut