Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoep - (trottoir)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stoep zn. ‘trottoir’
Mnl. stoep in de veldnaam Stoepperk ‘terrein bij een stenen opstap van een huis of bij een watervlonder’ in be west den stoepparric ‘westelijk van het Stoepperk’ [1300; VMNW] en ‘stenen opstap vóór een huis’, zoals in alle stoupen ende leuyffenen in de hooftstraten ‘alle stoepen en luifels in de hoofdstraten’ [1374-94; MNW]; vnnl. ‘vast uiteind voor een losse brug’ [1548; WNT] en ‘vlonder aan de waterkant’ in stoepen inden Hecksloot [1659; WNT].
Os. stōpo ‘voetstap’ (mnd. stope ‘opstap, trede’); ohd. stuofa ‘opstap, trede’ (nhd. Stufe); nfri. stoepe; < pgm. *stōpō(n)-, *stōpan-. Daarnaast met l-achtervoegsel oe. stōpel ‘voetspoor; trede’. Ablautende afleiding van de wortel van het werkwoord → stappen.
Het benoemingsmotief van stoep is ‘plaats waarop wordt/is gestapt’ (traptrede, voetspoor). Het Nederlandse woord is in het Amerikaans-Engels geleend als stoop ‘bordes, veranda’. Inmiddels is de betekenis van het woord in het Nederlands vernauwd tot ‘trottoir’.
Lit.: Van der Sijs 2009: 237-239

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoep* [trottoir] {stoep(e) [treden voor huis of aan waterkant] 1258} oudsaksisch stopo [voetstap], oudhoogduits stuofa [trede]; ablautend bij stap (vgl. stappen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoep znw. m. v., mnl. stoep(e), stoop(e) ‘zitbank aan de deur; oprit’, Kiliaen stoep (Holl. Sicamb.), nnl. dial. (Beierland, Sliedrecht) ‘schuins oplopend pad tegen een dijk’, os. stōpo ‘voetstap’, ohd. stuofa v. (nhd. stufe) ‘trede’ staat in ablaut naast stappen. — > amerik. eng. stoop (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 275), sedert 1789 bekend (Bense 476).

Daarvan afgeleid stoepje ‘stadssoldaat; vesting-artillerist’ eig. ‘iemand die zijn stoep niet verlaat’, vgl. ook stoepschijter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoep znw., volgens Kil. “Holl. Sicamb.”, nnl. dial. (Beierl., Sliedrecht) in de bet. “schuins oploopend pad of rijweg tegen een dijk”. Mnl. stoep(e) v. (holl.) in deze bet. en = “stoep, stoepbank”, dial. nnl. nog in eenigszins andere bett. = ohd. stuofa v. “tree” (nhd. stufe), os. stôpo m. “voetstap”. ’t Ags. kent stôpel m. “id.”. Ablautend met stappen. Voor de bet. “stoep” vgl. stap en trap. Ohd. (ôstar-)stuopha, ofri. (ield-)stôpe v. “bijdrage” kan ook hierbij hooren; eer sluit ’t zich met de oorspr. bet. “steun” bij stapel aan. Evenzoo ags. stêpan “inwijden”‘?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoep m., Mnl. stoepe, Os. stôpa + Ohd. stuofa (Mhd. stuofe, Nhd. stufe) = trap, staat tot stap als voer tot varen. Hieruit (Amer.) Eng. stoop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stóp (zn.) trottoir; Middelnederlands stoep <1300>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stoep s.nw.
Verhoogde vloer buite teen die huismuur, soms afgesluit en onderdak.
Uit Ndl. stoep (1535) 'verharde, geplaveide verhoging voor die voorgewel van 'n huis'. Ndl. stoep hou deur klinkerwisseling verband met stappen. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling stoepkamer en by Mansvelt (1884).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1797).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stoep (de, -en), 1. als AN ’stoep als opstap voor een deur’; het kan niet AN ’trottoir’ betekenen (zie ook trottoir*). - 2. trede van een platte brug*. Erik reed maar door naar de Waterkant*, kocht bij stonbroki [S, stenen brug, d.i. de Plattebrug*] een flesje zuurwater* bij de rijdende winkel van Philip en ging op de bovende stoep van de brug* zitten kijken naar de rivier (Dobru 1968c: 37). - Etym.: (2) AN stoep = o.m. waterstoep, d.i. een stenen of houten stoepje aan een waterkant. Waar de waterhoogte sterk varieert, zoals bij de Surinamerivier te Paramaribo, heeft men een serie stoepen onder elkaar nodig en dat is dan een stenen trap ofwel een platte brug*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stappen, van den Germ. wt. stap = met de voeten treden (zie Stampen); ook: schreden maken (voortschrijden), gaan met een eenigszins luidruchtigen tred. Afl. zijn: stapel, inrichting om een schip te doen gaan, laten afloopen, en stapel, stap of stoep (aan ’t water, voor ’t huis). Ook stapel (hoop) behoort hierbij: zoo hoog op elkander leggen, dat men er met een stapel (een trap, „opstap”) bij moet komen; vandaar: stapelplaats; wolstapel.

Stoep, van den Germ. wt. stap = gaan; zie Stappen. Het woord w. d. z.: (op)stap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoep ‘trottoir; (verouderd) stenen opgang voor de ingang van een huis’ -> Pools stoep ‘trottoir’ ; Zuid-Afrikaans-Engels stoep ‘veranda’ ; Keiëes stup ‘veranda, gaanderij, stoep’; Menadonees stup di balakang ‘achtergalerij’; Menadonees stup di muka ‘voorgalerij’; Singalees istōppu-va, stōppu-va ‘veranda’; Amerikaans-Engels stoop ‘veranda’; Papiaments stupi (ouder: stoepi) ‘trottoir; veelal overdekte ruimte aan een of meer zijden van een woning; stenen opstap voor de ingang van een woning’; Sranantongo stupu ‘trottoir; pui van een winkel’; Sarnami stupu ‘trottoir’; Surinaams-Javaans stupu ‘trottoir’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoep* trottoir 1258 [HWS]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2181. Ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen,

d.w.z. ieder moet zijn eigen gebreken verbeteren, voordat hij zich met die van anderen bemoeit; ook ieder moet voor zijn eigen belangen zorg dragen. Zie no. 309; Harrebomée II, 307 b: Men moet niet een andersmans stoep schoon maken, voordat de onze rein is; vgl. Sart. I, 7, 47: ab ipso lare incipe, maeckt het voor u eygen deur eerst schoon; Poirters, Mask. 20: Vaeght voor u eyghen deur, wilt ghy de straet schoon hebben; Servilius, 11: Een yegelic kuysset vore syn eyghen duere, so sullen alle de straten reyn syn; Handelsblad, 12 Juli 1914 (ochtendbl.) p. 2 k. 6: Veeg eerst voor uw eigen deur; De Arbeid, 23 Nov. 1913 p. 2 k. 1: Wij werpen echter de smeur terug en geven Oudegeest in ernstige overweging voor eigen deur te vegen; 8 April 1914 p. 4 k. 1: De bedoeling is alleen aan te toonen, dat de modernen niets te laag is, om andersdenkenden te treffen, terwijl ze zelf liever eerst voor eigen deur moesten vegen; Het Volk, 9 Juli 1915 p. 2 k. 4: In de ‘vrije’ pers is deze fraude erkend, maar gezegd, dat de ‘modernen’ wel voor hun eigen deur moesten vegen. Syn. uitdr. bij Anna Bijns, Refr. 36, vs. 11: Stopt uws selfs scuyte, want voorwaar sij es lec; Huygens, Zeestraet, 949: Elck syn pelsje pluys'; elck kraeck' sijn' eigen luys. In Zuid-Nederland: elk vage voor zijn deur (fr. chacun doit balayer devant sa porte) of kuische zijnen eigen kant, bemoeie zich met het zijne, verantwoorde zich zelf (Joos, 74; Waasch Idiot. 323 b; 684 a; Schuermans, Bijv. b), wiede zijn eigen lochting (binnenplaatsVolkskunde XII, 99.), - zijn eigen hof (Joos, 162; Ndl. Wdb. VI, 838); in het eng. sweep before your own door; hd. ein jeder fege (kehre) vor seiner Tür, er findet schmutz genug dafür; in het Nederd. elk schrâp sinen egen Pott; zie Eckart, 412; Dirksen II, 24; Reuter, 28; Wander II, 1235; IV, 1191; fr. elts hat genôg oan syn eigen tun to wjudden (vgl. Brederoo II, 143: Wy buyten ons selven niet eens behoeven te treden om werck te vinden, vermidts in een ygelijks tuyn genoech te doene valtZie Harrebomée I, 313; Ndl. Wdb. VI, 838.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut