Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stinken - (een kwalijke geur verspreiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stinken ww. ‘een kwalijke geur verspreiden’
Onl. stinkan ‘een geur verspreiden’, eenmalig met afwijkende betekenis stincan sulun ‘zij zullen ruiken, geuren waarnemen’ (vert. van Latijn odorabunt) [10e eeuw; W.Ps.], dan in tho begunda min salfwerz meer ande meer ze stinchene ‘toen begon mijn narduszalf steeds meer te geuren’ [ca. 1100; Will.]; mnl. stinken ‘een kwalijke geur verspreiden’ [1240; Bern.], in dat paus vleesch binnen .j. jare none stinket no rot ‘dat pauwenvlees binnen een jaar niet gaat stinken of bederven’ [1287; VMNW], Hy seit dat uwen adem stinckt [1434-6; MNW], muffen, stincken [1477; Teuth.]; nnl. het teg.deelw. stinkend ook in de betekenis ‘in hoge mate’ in stinkent vol Volk [1782; WNT], stinkend duur [1929; WNT], in één slag stinkend rijk [1966; Krantenbank Zeeland].
Mnd. stinken; ohd. stincan (nhd. stinken); nfri. stjonke; oe. stincan (ne. stink); alle oorspr. ‘(sterk) geuren’, later ‘kwalijk geuren’; on. stökkva ‘spatten; springen’, en het van dit st. ww. afgeleide causatief stökkva ‘doen spatten; doen springen’, nzw. stänka ‘spatten, sprenkelen’; got. stigqan ‘botsen, stoten’; < pgm. *stinkwan- < ouder *stenkwan- ‘stoten, spatten, stuiven’. Uit deze grondbetekenis moet dan in het West-Germaans via ‘stuivend geur verspreiden’ de betekenis ‘geuren’ zijn ontstaan (Toll., Kluge). FvWS wijst in dit verband naar een vergelijkbare ontwikkeling bij Pools trącić, dat zowel ‘stoten’ als ‘ruiken naar’ betekent.
Alleen verwant met Latijn stinguere ‘doven’, oorspr. wrsch. ‘drukken, duwen’ (vanwaar distinguere ‘markeren, afzonderen, onderscheiden’, zie → gedistingeerd, en exstinguere ‘uitdoven, vernietigen’); < pie. *stengw- ‘stoten’ (LIV 596).
In het Oudnederlands is de betekenis van dit werkwoord nog neutraal ‘een (sterke) geur verspreiden’, net als in het Oudhoogduits en het Oudengels. In alle West-Germaanse talen heeft een betekenisvernauwing plaatsgevonden naar ‘een kwalijke geur verspreiden’.
De betekenis ‘in hoge mate’ van het teg.deelw. stinkend is ontstaan in verbindingen als stinkend vol ‘zo vol dat het stinkt’, waardoor ook verbindingen konden ontstaan als stinkend duur, stinkend lui ‘zo duur, zo lui dat het niet mooi meer is’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stinken* [kwalijk ruiken] {oudnederlands stincan 901-1000, middelnederlands stinken} middelnederduits stinken, oudhoogduits stincan, oudengels stincan [ruiken, opwalmen]; waarschijnlijk is de oudste betekenis ‘stuiven’ en is het hetzelfde woord als gotisch stigqan [stoten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stinken ww., mnl. stinken, onfrank. stincan, ‘ruiken’, mnd. stinken ‘stinken’, ohd. stincan (nhd. stinken) ‘ruiken, stinken’, oe. stincan ‘ruiken, stinken, opwalmen’ (ne. stink), fri. stiunk, stjonke ‘stinken’ is hetzelfde woord als on. støkkva ‘springen, barsten, spatten, vluchten’ (< *stinkwan), ogutn. stynke ‘botsen’, got. stigqan ‘stoten’.

De etymologie is onzeker. Men verbindt wel oiers tocht ‘stank’ < *tong-to, wat niet verder voert. Verder heeft men voorgesteld 1. bij lat. tinguo, gr. téggo ‘bevochtigen’ (S. Bugge BB 3, 1879, 120) wat wel formeel, maar semantisch niet bevredigend is. — 2. met lat. stinguo ‘steken’ (v. Sabler KZ 31, 1892, 282), wat slecht past bij de conjugatie-klasse van het germ. ww. — 3. met oi. stambhá- ‘post’, gr. stembo ‘met de voeten trappen’ (Osthoff, Et. Parerga 1, 365), wat zeer onwaarschijnlijk is. — Daar oe. stincan ook ‘opwalmen’ betekent en nnl. stinken (Assendelft, Krommenie) ook ‘tochten’, wil men uitgaan van een bet. ‘stuiven’. Alles is zeer onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stinken ww., mnl. stinken. = onfr., ohd. stincan (nhd. stinken) “ruiken, stinken”, mnd. stinken “stinken”, ags. stincan “id., ruiken, opwalmen” (eng. to stink). De bet. “ruiken, stinken” gaat wsch. op “stuiven, zich in fijne deeltjes bewegen” terug (vgl. ruiken, stomen). Daarop wijst de ags. bet. “opwalmen” in verband met ndl. dial. (Assendelft, Krommenie) stinken “tochten”, Winschooten (1681) een stinkende storm “een geweldige harde bui, of onweer” en on. støkkva (sterk) “spatten”; maar dan mogen we verder ook niet aarzelen om on. støkkva (sterk) “vaneenspringen, springen, een vlugge beweging maken”, got. stigqan “stooten” voor ’t zelfde woord te houden en in oergerm. *steŋqanan > *stiŋqanan een bewegingsww. te zien. Hierbij stank en mhd. stenken “doen stinken”, ags. stencan “strooien”, on. støkkva (zwak) “verjagen, sprenkelen” en os. stunk m. “reuk”, got. bistugq o. (of -s m.?) “aanstoot, het stooten”. Oorsprong onzeker. De combinatie met stuiken is niet wsch. te maken; we zouden dan uit moeten gaan van een praesensstam stuŋqa-, te vergelijken met oi. tuñjáti “hij stoot, dringt”. Ook de identificeering van stinken met lat. stinguo “ik steek” (in distinguo “ik onderscheid”) is onwsch., èn omdat we ook dan “entgleisung” moeten aannemen en vooral wegens de grondbet. van de basis stig- “steken, puntig zijn” (zie steken). Als ier. tôcht “stank” terecht als idg. *toŋg-to- met stinken gecombineerd is, heeft het een dgl. bet.-ontwikkeling als stinken, stank doorgemaakt. Het is niet aannemelijk, dat wgerm. *stiŋkan “ruiken, stinken” van het germ. bewegingsww. *stiŋqanan te scheiden en met ier. tôcht en gr. tangós “ransig” te combineeren is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stinken. Voor de verwantschap van got. stigqan ‘stoten’ vgl. po. trącicʹ ‘stoten’ en ‘ruiken naar’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stinken o.w., Mnl. id., Onfra. stincan + Ohd. stinchan (Mhd. stinken, Nhd. id.), Ags. stincan (Eng. to stink). In ’t Ohd. en Ags. bet. het zoowel goed als slecht ruiken. Daar Ags. stincan ook opwalmen, en Ndl. stinken dial. ook tochten bet., moet het woord hetz. zijn als On. støkkva = vaneenspringen en Go. stigqan = stooten: niet verder na te gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stinken ‘kwalijk ruiken’ -> Deens stinke ‘kwalijk ruiken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stinke ‘kwalijk ruiken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stinka ‘kwalijk ruiken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands stink ‘kwalijk ruiken’; Papiaments hole stinki ‘kwalijk riekend; gemeen’; Sranantongo tingi ‘kwalijk ruiken’; Saramakkaans tíngi ‘kwalijk ruiken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stinken* kwalijk ruiken 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1494. Zachte meesters maken stinkende wonden,

d.w.z. ‘een geneesmeester, die de wonden en zeeren door scherpe middelen, als 't noodig is, niet zuivert, maakt dat ze vervuilen en inkankeren’ (Tuinman II, 9); bij overdracht: halve maatregelen verergeren het kwaad. Bij Campen, 133: Een meedelydende Chirurgyn, maeckt stinckende wonden; Com. Vet. 41: Hy wist heur wijs te maken dat sachte meesters stinckende wonden maeckten; Cats I, 411: Dit heeft men dickmaels ondervonden, van sachte meesters vuyle wonden. Zie verder Harreb. I, 282 b en vgl. het fri.: sêfte hânnen meitsje stjonkende wounen; prov. sachte geneesmasters meitsje stjonkende wounen; De Bo, 1437 b: zochte meesters maken stinkende wonden; Joos, 195: zachte meesters, kwade wonden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut