Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stil - (geluidloos, roerloos; rustig; geheim)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stil bn. ‘geluidloos, roerloos; rustig; geheim’
Onl. stilli ‘stil’ in Stillinhahagamundi ‘plaats in Gelderland’, mogelijk te lezen als *stillin (h)aha gamundi ‘monding van het stille water’ [814-15, kopie 1170-75; Künzel], als toenaam van Vualterus Stilla ‘Wouter (de) Stille’ [1141; ONW]; mnl. Stille ende openbare ‘in stilte en openbaar, d.w.z. op allerlei manieren’ (bw.) [1200; VMNW], dat si ... stille iet eischeden ‘dat ze zachtjes iets vroegen’ [1236; VMNW], stapt stille ‘loop rustig’ [1287; VMNW], stil te haudene ‘zich stil te houden’ [1290-1310; MNW-P].
Os. stilli (mnd. stille, vanwaar door ontlening nzw. stilla); ohd. stilli ‘stil’ (nhd. still); ofri. stille ‘stil, arglistig’; oe. stille (ne. still); < pgm. *stilli- ‘stil’, wrsch. uit ouder *stelja-. In het On. bestaat het ww. stilla ‘matigen’, maar dat is mogelijk overgenomen uit het mnd.
Verdere herkomst onzeker. Meestal gaat men uit van de betekenis ‘onbeweeglijk’ en veronderstelt men afleiding van de wortel van → stellen (Verc., NEW, BDE, Onions, Pfeifer). Een andere mogelijkheid (Kluge) is verwantschap met: Litouws tylė́ti ‘zwijgen’; Oudkerkslavisch u-toliti ‘kalmeren’; Oudiers -tuili ‘slaapt’; bij de wortel pie. *telH- ‘stil worden’ (LIV 621); het Germaans heeft dan een s-mobile.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stil* [roerloos, geruisloos, bedaard] {stille 1200} oudsaksisch, oudhoogduits stilli, oudfries, oudengels stille, vgl. middelnederlands stillen [tot kalmte brengen]; waarschijnlijk is de grondbetekenis ‘onbeweeglijk, vaststaand’ en is een naaste verwant steel. De uitdrukking een stille in den lande is ontleend aan psalm 35:20.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stil bnw., mnl. stille, os. ohd. stilli (nhd. still), ofri. oe. stille (ne. still, ook als bijw. ‘nog’). — Men zal moeten uitgaan van een grondvorm idg. *stel-ni, die men wat de formatie betreft wel vergelijkt met oi. sthāṇú- ‘vaststaand’ (indien dit < *stharnú- < idg. *sthel-nu). — Het is een afl. van de wt. *stel, waarvoor zie: steel. — Zie ook: stillen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stil bnw., mnl. stille. = ohd., os. stilli (nhd. still), ofri., ags. stille (eng. still, ook als bijw. met de bet. “nog”) “stil”. Misschien moeten wij van een grondbet. “vaststaand, onbeweeglijk” uitgaan (NB. mnl. stillen, nnl. stillen, ohd., nhd. stillen, os. gi-stillian, ags. stillan, eng. to still, on. stilla beteekenen niet zoozeer “stil maken” als wel “tot rust brengen, doen bedaren, tegengaan”) en stil bij de woordgroep van steel brengen; — evengoed mogelijk is de combinatie met ier. tuilim “ik slaap”, obg. u-toliti “tot kalmte brengen”, lit. tylù, tílti “stilzwijgend worden”. Dat beide combinaties tegelijk juist zouden zijn, is onwsch. In beide gevallen zal de vóórgerm. stamvorm *st(h)el-ni- of *st(h)el-nio- zijn geweest. — stillekens, stilletjes bijw., reeds laat-mnl. stilkijns naast ouder stillekîne.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stil bijv., Mnl. stille, Os. stilli + Ohd. id. (Mhd. stille, Nhd. still), Ags. stille (Eng. still), Ofri. stille, Zw. stilla, De. stille: van denz. wortel als stal, stellen, stollen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stèl (bn.) stil; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) stil, Aajdnederlands stilli <814-815>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

stil-stil bw.
1. Sonder die minste geluid. 2. Sonder dat dit opgemerk word.
Reduplikasie van stil, in bet. 1 so genoem om te beklemtoon dat iets voortdurend sonder geluid gebeur, en in bet. 2 omdat die aandag as gevolg daarvan dat iets sonder geluid gebeur, nie daarop gevestig word nie.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stil: stille beroerte (de, -s), beroerte met als gevolg dat men niet meer spreken kan. Na een aanval van de zgn. ’Stille beroerte’ wordt het volgende aanbevolen: () (May 7).
— : stille film (de, -s), stomme film. Tua-tua [twatwa*] tegen doks*: Je hebt zeker leren zingen toen je bij de stille film werkte (Fernandes z.j.: 58).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stilletjie [+]: – stelletjie – , gemakstoel, nag(pot)stoel; Ndl. stil/stille (Mnl. stille), gew. dim. stilletje (gerief waar alles “stil” moet toegaan), vgl. Frank TB 186; in Ndl. (reeds by Kil) ook bek. as kakstil(le).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Stille in den lande, rustige, bescheiden, teruggetrokken persoon.

Deze uitdrukking komt uit Psalmen 35:20, 'Waarlijk, van vrede spreken zij [t.w. valse vijanden] niet, en tegen de stillen in den lande beramen zij bedrieglijke dingen' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'de weerlozen in het land'). Hier is de betekenis 'iemand die afgezonderd en rustig leeft'. Nu is deze betekenis niet meer bekend, maar is een stille in den lande een rustige, bescheiden, teruggetrokken persoon. Van deze betekenis maakt de Psalmberijming uit 1973 gebruik in Psalm 149, de derde strofe, 'Hij kent de stillen in den lande, / het heil is nu ophanden'. De NBG-vertaling en de Statenvertaling (1637) hebben hier ootmoedigen resp. sachtmoedige.

Deux-Aesbijbel (1562), Psalmen 35:20. Want sy dencken schade te doen: ende soecken valsche saken teghen de stille inden lande.
Ofschoon Jan van Nijlen (1884) een stille in den lande is, behoren zijn verzen van ontgoocheling, deemoed en berusting tot de diepste en meest gelouterde voortbrengselen onzer poëzie. (Volksgazet, 25-3-1948)
Hij [Freek van Leeuwen] is altijd een stille in den lande geweest en men kan zich hem onmogelijk in de rol van organisator, actieve propagandist of zelfs maar ijverige secretaris voorstellen. (De Groene Amsterdammer, 27-2-1965)
Toch had hij zijn emoties in bedwang, en speelde de stille in den lande zoals alle kleine heersers, die hun innerlijke zwakheid niet helemaal kennen, maar wel voelen. (S. Vestdijk, De dokter en het lichte meisje, 1980 (1951), p. 54)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stilte (diepe --) (vert. van Latijn altum silentium)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stil, van den Idg. wt. sthel = staan; zie Stal. Het woord w.d.z.: staande, alzoo: zich niet bewegende, onbeweeglijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stil ‘geruisloos, roerloos, bedaard’ -> Deens stille ‘geruisloos, roerloos, bedaard’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stille ‘geruisloos, roerloos, bedaard’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stilla ‘geruisloos, roerloos, bedaard’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch štil' ‘windstilte op zee’; Azeri štil' ‘windstilte’ ; Litouws štilis ‘windstilte’; Negerhollands stil ‘geruisloos, roerloos, bedaard’; Papiaments stel ‘geruisloos, roerloos, bedaard’; Sranantongo tiri ‘geruisloos, roerloos, bedaard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stil* geruisloos, roerloos, bedaard 0814-815 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2177. Een stille in den lande,

d.i. iemand die zich altijd afgezonderd houdt, zeer weinig spreekt en wars is van alle luidruchtige vroolijkheid, meestal met het bijdenkbeeld, dat hij niet te vertrouwen is. De woorden zijn ontleend aan Psalm 35, vs. 20, waar onder ‘de stillen in den lande’ verstaan worden ‘de rustige, vreedzame bewoners, die gaarne een stil leven zouden leiden en niet deelnemen aan daden van geweld’Zeeman, 450., in welken zin de uitdr. voorkomt in V. Janus, 30; 64; 229; 272; enz.

1574. Zoo stil als een muis,

d.w.z. zeer stil, muisstil (17de eeuwNdl. Wdb. IX, 1212.). Reeds in de 4de eeuw na Chr. in het Latijn bij Vopiscus: Tanta in oriente quies fuit, ut, quemadmodum vulgo loquebantur, nullus mures rebelles audiret. Bij ons in de middeleeuwen bij Velth. V, 36, 44: so swijcht hi stilre dan een muus; evenzoo Ferg. 726; Drie Dage Here, 220; Mloep II, 1056; in de 16de eeuw Trou m. Blycken, 133: stille als een muys; Spaan, 115; Kluchtspel III, 63; in het fr. tranquille comme une souris; hd. mausestill, mäuschenstill; eng. as still as a mouse; as mum as mice; in het Westvlaamsch muizestil (De Bo, 719 a). Zie verder Joos, 30; Rutten, 219 b; Antw. Idiot. 838: zijn eigen stil houden gelijk 'n muis in 't meel; Spieghel, 47, vs. 23: luisstil; Rutten, 174 a: piet (luis?) stil; Boekenoogen, 804: pietstil, doodstil; Schuermans, 476: hij was zoo piet als een muisken naast zich piet houden, zich stil houden; zie ook Claes, 184; Ndl. Wdb. XII, 1584; Afrik. so stil soo's 'n muis (in 'n kalbas) wees; 17de eeuw: lammerstil.

2292. Met de (of een) stille trom vertrekken (of aftrekken),

d.w.z. stil, ongemerkt vertrekken, zich verwijderen; eene uitdrukking, die ontleend is aan het krijgswezen, en eig. gezegd wordt van soldaten, die zonder de trom te roeren stilletjes aftrekken. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 281: Men brack al heimlijck op en zonder eenigh teken van horen en trompet, of hut in brant te steecken; Brederoo, I, 42, 937: Hoort, helden van mijn bloedt, treckt sonder trommel-slagh met opgherolde vanen in aller stilten heen. In de 17de eeuw in overdr. zin aangetroffen bij Brederoo, Sp. Brab. vs. 1179:

 Wat komter vrydaechs een gerit ter poort indringen,
 Van revelduytsche en van vreemde hommelinghen,
 Al ghesonde Wijven, met besieckte doecken om,
 By hiele vaendels vol, doch met een stille Trom.

Zie verder Hooft, Ned. Hist. 9; 176; Vondel, Pascha, vs. 1487: Bellon die listich ons met een stille trom bekruypt, wanneer wy slapen; Op den Optoght der Schutteryen t' Amsterdam, vs. 48: Met eene stille trom afdruipen; Pers, 160 a; 530 b; V. Avant. I, 151; Kale Utr. Edelman II, 75; Middelb. Avant. 123; Tuinman I, 335; Focquenb. Typhon, 3de sangh 425: Terwyl sy sonder Fluyt, of Trom gelijck als halve Nickers vlooden; Halma, 651: Met een e stille Trom opbreeken of verhuizen, décamper à la sourdine, déloger sans trompette; fr. déloger sans tambour ni trompette; vroeger déménager à la sonnette de bois; Esopet, Pallasch, 8: Met een stille trom opkramen; Harreb. II, 345; Nkr. II, 13 Sept. p. 2: Ik dacht dat dat comité zich zelf al lang met stillen trom begraven had; Nkr. VIII, 23 Mei p. 3; Onze Eeuw, XIV, 1323; Joos, 109: met het stil trommeken vertrekken; hd. Ohne Sang und Klang abgehen.

2531. Stille waters hebben diepe gronden,

d.w.z. ‘in (of achter) lieden, die zich weinig uitlaten, zit (steekt) dikwijls meer dan men naar den uiterlijken schijn vermoeden zou. Vaak gebezigd met betrekking tot of in toepassing op min gunstige eigenschappen (arglistigheid, dubbelhartigheid, valschheid en derg.)’; Ndl. Wdb. V. 934. Dit spreekwoord komt, zooals Wander IV, 1813-1814 aantoont, in zeer vele Europeesche talen voor. Voor het Latijn vgl. Cato, Dist. 4, 31: quod flumen placidum est, forsan latet altius unda of altissima quaeque flumina minimo sono labuntur; non credas undam placidam non esse profundam (Werner, 56); gri. σιγηρου ποταμου τα Βαθη γυρευε (Krumbacher, 71); sigma;ιγηρος ποταμος κατα γην Βαθυς. Voor onze taal zie Dist. Cat. bl. 49:

 Die ghene die zwighen ende lettel spreken,
 Si conen vele quader treken;
 Men seit: die vloet, die stille staet,
 Soe es dieper dan die harde gaet.

Campen, 107: Stille wateren hebben diepe gronden; Spieghel, 279; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1260; Cats I, 458; 459:

 Ick heb het met 'er daet bevonden,
 In stille waters diepe gronden.

Van Moerk. 80; Winschooten, 347: Stille waaters hebben diepe gronden, het welk oneigendlijk beteekend, luiden die stilzwijgen, die weeten meer, als die geen die veel praats hebben: en in quaader sin: sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tien in de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren; De Brune, Bank. I, 108; 152; Starter, 420; Mergh 55; Paffenr. 95; Plaiz. Kyv. 26. Zie verder Tuinman I, 150; C. Wildsch. III, 39; Adagia, 2: alle stille waterkens hebben diepe gronden, simplex appatet, simplicitate caret; Halma, 768; Adagia, 59: stille waterkens hebben diepe grondekens; Sewel 940: Stille waters hebben diepe gronden, standing waters have muddy bottoms or are dangerous; silent men are thinking men, and not easily sonded or pumped; Harrebomée I, 261; Nederland, Aug. 1914, p. 462: En thuis zei hij geen woord meer dan noodig was: Stille wateren hebben diepe gronden; afrik. stille waters diepe grond, onder draai die duiwel rond; Eckart, 555; De Bo, 1372; Joos 147: stille waters hebben diepe gronden; hoe stiller water hoe dieper boôm; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 630 b; 732 a: stille waterkens hebben diepe gronden; Ten Doornk. Koolm. III, 521; fri. stille wetters habbe djippe grounen; fr. il n'y a pire eau que celle qui dort; hd. stille Wasser sind tief; stille Wasser tiefe gründe; eng. still waters run deep.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut