Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stikken - (smoren; naaien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stikken 1 ww. ‘sterven door gebrek aan lucht’
Mnl. sticken ‘doen stikken’ [1477; Teuth.]; vnnl. sticken ‘stikken’ in Bi Aernhem is gheweest een jonc kint gestict overmits groten hoest ‘in Arnhem is een jong kind gestikt als gevolg van zware hoest’ [16e eeuw; MNW].
Mnd. sticken; ohd. irsticken; nfri. stikke; < pgm. *stikkōn- ‘(doen) blijven steken’. Afleiding bij de wortel van → steken.

stikken 2 ww. ‘vastborduren, vastnaaien’
Mnl. sticken ‘steken, vaststeken’ in I hondert pile die ghestijcket ende ghevedert waren ‘honderd pijlen waarin veren waren gestoken’ [1366; MNW], side daer die aernen mede ghesticket sin ‘zijde waarmee de arenden zijn geborduurd’ [1387; MNW].
Mnd. sticken; ohd. sticken (nhd. sticken); nfri. stikje; ne. stitch; alle ‘vastnaaien’. Afleiding bij de wortel van → steken en dus formeel hetzelfde woord als → stikken 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stikken1* [smoren] {sticken 1477} hetzelfde woord als stikken2, intensivum van steken, hier in de zin van ‘blijven steken, niet verder kunnen’.

stikken2* [naaien] {sticken 1366} intensivum van steken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stikken 1 ww. ‘smoren’, laat-mnl. sticken, mnd. sticken, ohd. sticchen in irsticchen (nhd. ersticken) ‘met de adem blijven steken’ staat naast ohd. stecchōn (nnd. stecken, mnd. sticken, stecken ‘steken, blijven steken’, vgl. nog on. stikkjast ‘walgen’. — Een intensief-formatie met -kk- naast steken.

stikken 2 ww. ‘naaien, borduren’, mnl. sticken ‘steken, prikken, borduren’, mnd. sticken, ohd. sticchen (nhd. sticken) ‘steken, borduren’, ne. stitch ‘naaien’ is evenals stikken 1 een intensief-formatie met -kk- (telkens kleine steken maken) van steken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stikken I (smoren), reeds laat-mnl. de afl. stickinghe v., in den Teuth. sticken trans. = ohd. sticchen (in ir-sticchen “stikken” intr., nhd. ersticken trans. en intr.), mnd. sticken “stikken”, wgerm. *stik(k)jan. Met de oorspr. bet. “blijven steken” resp. “doen blijven steken (in zijn adem)” bij steken, evenals ook ohd. stëcchên “steken (intr.), blijven steken” (nhd. stecken), mnd. sticken, stëcken “id.” en ags. stician “id.”. — Formeel is stikken I = stikken II.

stikken II (borduren), mnl. sticken “steken, prikken, borduren” = ohd. sticchen (nhd. sticken), mnd. sticken “id.”, eng. to stitch “naaien”. Voor de bett. van stikken I en stikken II vgl. nog het slot van ’t artikel staak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stikken 1 o.w. (naaien), + Hgd. sticken, Eng. to stitch: intens. van steken.

stikken 2 o.w. (versmachten), + Hgd. sticken: hetz. w. als stikken 1. Het bet. het blijven steken van den adem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stikke (ww.) stikken; Middelnederlands sticken <1477>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stikken (stikte, heeft gestikt), naaien, vervaardigen door naaien. Mijn moeder heeft die jurk gestikt, die is niet gekocht. - Etym.: AN s. = naaien met een bepaalde steek, de z.g. stiksteek.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

stikken. De megalomane verwensing stik! komt vóór de 19de eeuw niet voor. Dat-ie stikt geeft uitdrukking aan een wens of verlangen van de spreker. De verwensing stik er maar in! betekent ‘bekijk het maar, maak dat je wegkomt’. Ook de kolkende klankmassa stik de gloeiende moord laat over de woede van de gebruiker van deze uitroepende verwensing geen enkele twijfel. Dat geldt evenzeer voor de verkorting stik de moord! als voor de versterking stik de rotmoord! Een enkele maal noteerde ik stik in je vreten! Als variant op sterf in de meelzak en ga gepoeierd de hel in! komt voor stik in de meelzak en ga gepoederd de hel in! Een correspondent uit het Oost-Vlaamse Bornem vermeldt ook nog stik in uw eigen nat! De Utrechtse verwensing stik de galanteriemoord, dan kun je met je kousen venten! vond ik alleen bij Sanders en Tempelaars (1998). De secretaresse van wijlen Victor van Vriesland, drs. Geke Linker, schrijft mij op 19 juni 1997: “Zijn generatie dichters maakten ook scatologische ongein. Bijvoorbeeld Roland Holst: Stik/ zei de pik/ van Vic-/ tor van Vriesland/ en schoot van de naai- in de piesstand.” De emotionele betekenis van al deze verwensingen duidt op woede, haat, afkeer en andere frustratie. De spreker geeft ermee aan dat zijn gesprekspartner hem de strot uitkomt en dat hij hem voor eeuwig kan missen als kiespijn. → barsten, kippenkoorts, krijgen, neerlazeren, opdonderen, steken, sterven, verrotten, verteren.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stikken (verstikken), van den Germ. wt. stik = stijf zijn, blijven steken; het woord w.d.z., dat de adem blijft steken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stikken ‘naaien’ -> Jakartaans-Maleis setik ‘naaien’; Javaans setik ‘naaien’; Papiaments stek ‘steken (bij breien)’; Surinaams-Javaans setig ‘gestikt’.

stikken ‘smoren’ -> Papiaments stek (ouder: stik) ‘verstikken’; Sranantongo stek ‘smoren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stikken* smoren 1477 [Teuth.]

stikken* naaien 1366 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1552. Steek (of stik) de moord,

of je mag me de moord steken, ook stik de moord wil zeggen: loop naar den duivel, je kunt me de bout hachelen (zie no. 333), stik, krijg een ongeluk, of eene dergelijke ruwe verwensching. Het ww. steken heeft hier de bet. van slaan, treffen, waarmede het in vroegere geschriften afwisselt; 16de eeuw de moort die de perde slaet naast de tale (eene ziekte) die de verkene stect. De uitdr. wil dus eig. zeggen: de moord, de dood moge je treffen, slaan. In het mnl. komt van de moort gesteken reeds voor (zie Mnl. Wdb. VII, 2053); in de 16de eeuw als verwensching dat u de moort steken moet (moge); ook in 't passief ic wilde hij ware de moort gesteken (Everaert, 270). Door eene onjuiste opvatting van ‘iemand’ als onderwerp in de uitdr. iemand steke de moord kreeg de moord steken den zin van sterven. Dit geschiedde in de 16de eeuw blijkens Corn. Everaert, 537: Hy zoude my liever de moort steken waert myn man, eer ict verdrougheZie meer voorbeelden in Ndl. Wdb. IX, 1108.; vgl. verder Tuinman I, 319: Dus is 't een godlooze vloek: Dat u de moord steke, te weten de schielijke dood met zijnen pyl. Men zegt, Hij is de moord gesteken. Dat is kromtaal. In dezen zin is de zegsw. blijven voortleven in de ruwe volkstaal; zie Köster Henke, 46: de moord steken, om 't leven komen; steek de moord, krijg een ongeluk; O.K. 56: De moord zal jelui steken, misselijke jakhalzen; M. de Br. 209: Laat ze de moord steken; Landl. 123: Verrek jij, val dood, stik de moord; Diamst. 318: Steek de moord en lek me de maarsch (vgl. no. 604); Menschenw. 393; Jord. II, 128; Peet, 172; Nachtkr. 7; Grond. 335: O, daar hei je haar ook, dat akelig dier zal ook de moord steken; Slop, 89: Hij kon voor zijn part de moord stikke, die menheer!; Jord. 59: Stiek jei nau gauw de maurd! schreeuwde de koffiepikster terug; bl. 86: Met een giftig.... steik de maurd!.... liep ze 't winkeltje uit; V.d. Water, 109: steek de moord, loop naar de hel, naast steek de marinemoord. Afrik. Hy het die moord gesteek. Ook in Zuid-Nederland is bekend: ik wenschte dat hij de moord stake (De Bo, 712); zie verder Schuermans, 389In Prol. 16: ‘Met et hoog-zij (zie no. 1052) op, en 'n staande steek demoord om z'n magere hals’, wordt een ‘vadermoorder’ bedoeld.. Als variant komt in Noord-Nederland voor pruim de moord! je mag me de moord pruimen!

2565. Hij is niet in de wieg gestikt (gesmoord of gestorven),

d.w.z. hij is zeer oud geworden. De uitdr. in de wieg smoren komt o.a. voor bij Erasmus, die mededeelt, dat men in zijn tijd ‘si quando nunciatur obitus hominis natu grandis’ zeide: nihil acerbum haud periit in cunabulis (Suringar, Erasmus, bl. 385). Vgl. verder Vondel, Lucifer, 2041: Nu is het tyt om 't menschelyck geslacht te smooren in zyn wiegh, en opgang; Pers, 742 a: Beatrix trouwde met Karel III, waar by hy seven kinderen teelde, die alle, genoegh in de wieghe, zijn gestorven. Hooft bezigt de uitdrukking van kwaad, dat men in het begin stuitVgl. Journal, 364: Cassiod. var. 6, 21, 1: Sed quanto melius in ipsis cunabulis adhoc mollia reprimere quam indurata crimina vindicare.; zie Brieven, 230: Maar de luiden weeten wat het in heeft ende 't quaedt in de wiege te smooren. Elders in zijne Ned. Hist. spreekt hij, volgens Weiland, van ‘de misdraght der muitery in de wieghe te worghen’. Van Effen, Spect. III, 167 past ze toe op boeken, die ‘in zo een kwynende toestand ter waereld gekomen zyn, dat ze geen maand levens beloven, en dat het een barbaarsche wreedheid schynt, dezelven in de wieg te smoren, in plaats van ze hun eigen dood te laten sterven’. Zie nog Tijdschrift IV, 253: 't Waer beter dat gedrocht in zyne wieg gesmoord (vgl. fr. étouffer le monstre au berceau); Tuinman I, 315; Harreb. II, 457: Hij is in de wieg niet gesmoord (of verzuimdDit laatste bij Campen, 80: Ick en bin in die wieghe niet versuemet.); Nkr. III, 26 Sept. p. 3; VI, 5 Oct. p. 3 en vgl. het Friesch: hy is net yn 'e widze smoard; in Zuid-Nederland: hij is niet in de wieg versmacht (Claes, 287; Waasch Idiot. 742; Antw. Idiot. 1440).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut