Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stijgen - (omhooggaan; toenemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stijgen ww. ‘omhooggaan; toenemen’
Onl. stīgan ‘klimmen, omhooggaan’, eerst in de samenstellingen upstīgan ‘opstijgen’ in thia upstigit ouir himil himeles ‘die opstijgt boven de hoogste hemel’, Nithestigon (lees Nitherstigon) sal also regan an uelli ‘hij zal neerdalen als de regen op een vlies’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], dan als simplex in uphen then palmboum ze stigeno ‘in de palmboom te klimmen’ [ca. 1100; ONW], so wie thu ze himole sist gestigan ‘zoals jij ten hemel bent opgestegen’ [ca. 1100; ONW]; mnl. Dat si niet hogher mach stigen ‘dat ze niet hoger kan stijgen’ [1375-1400; MNW-R]; vnnl. in den thoorne stijghen ‘de toren (gevangenis) ingaan’ [1550; iWNT toren].
Os. stīgan; ohd. stīgan; ofri. stīga; oe. stīgan; on. stīga; got. steigan; alle ‘stijgen’, < pgm. *stīgan- < ouder *steigan- ‘omhooggaan, klimmen’.
Verwant met: Grieks steíkhein ‘gaan, lopen’, stikhós ‘rij, rang’ (zie ook → kadaster); Sanskrit stighnoti ‘loopt’; Oudkerkslavisch po-stignǫti ‘bereiken’; Oudiers tīagu ‘ik ga’; bij de wortel pie. *steigh- ‘stappen, stijgen’ (LIV 593).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stijgen* [omhoog gaan] {stigen 1350} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels stigan, oudfries, oudnoors stíga, gotisch steigan; buiten het germ. latijn vestigium [voetspoor], grieks steichein [stijgen], oudiers tíagu [ik ga], oudkerkslavisch postignǫti [bereiken], oudindisch stighnoti [hij stijgt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stijgen ww., mnl. stîghen, os. ohd. stīgan (nhd. steigen), ofri. stīga, oe. stīgan, on. stīga, got. steigan ‘stijgen’. — oi. stighnōti ‘stijgt’, gr. steíchō ‘schrijden, gaan’, oiers tīagu ‘ga, schrijd’, lit. staigaũs, steigiúos ‘zich haasten, moeite doen’, lett. stèidzu, stèigt ‘zich haasten’ van idg. wt. *steigh (IEW 1017-8). — Zie: steeg 1, steg, stegel, steiger, steigeren, steil en stijg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stijgen ww., mnl. stîghen. = ohd., os. stîgan (nhd. steigen), ofri. stîga, ags. stîgan, on. stîga, got. steigan “stijgen”. Buiten ’t Germ. vgl. ier. tiagu “ik ga”, gr. steíkhō “id., ik stijg”, obg. po-stignąti “bereiken”, lit. staigtis (lees steigtis?), staigytis “zich haasten”, alb. štek “doorgang, ingang”, oi. stighnoti “hij stijgt”. Dat lat. vestîgium “voetspoor” als vē̆-stîgium hierbij zou hooren, is twijfelachtig. Voor verdere verwanten zie bij steeg I, stegel, steiger, steigeren, steil, sticht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stijgen. De lit. vormen zijn steĩgtis, staigtis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stijgen ono.w., Mnl. stighen, Os. stîgan + Ohd. id. (Mhd. stîgen, Nhd. steigen), Ags. stígan (Eng. to sty), Ofri. stíga, On. stíga (Zw. id., De. stige), Go. steigan + Skr. wrt. stigh, Gr. steíkhein = gaan, Lat. ve-stigium (= voetspoor), Oier. tiagaim = ik ga, Osl. stignati = snel gaan, Lit. staiga = haastig, Lett. staigaht = gaan: Idg. wrt. stei̯ɡh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

stiegriem s.nw.
Leerband waaraan die stiebeuel (stiebeuel 1) hang.
Uit Ndl. stijgriem (1728), so genoem omdat die stiebeuel (Ndl. stijgbeugel) aan die riem of leerband hang.
Vgl. D. Steigbügelriemen.
Vgl. stiebeuel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

stiegen waden (Groningen). = nl. stijgen, obulg. stignǫtĭ ‘ergens komen’, gr. steíkhō ‘schrijden’ ~ alb. štek ‘weg’.
Ter Laan 873.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stijgen, van den Germ. wt. stig, Idg. stigh = schrijden, gaan; vandaar steg = pad: „weg noch steg kennen”, en steil, z. d. w. Het woord stijgen w.d.z. gaan, vgl.: van het paard stijgen; later met de bijgedachte omhoog gaan.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stijgen* omhooggaan 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal