Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stijf - (niet buigzaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stijf bn. ‘niet buigzaam’
Mnl. stijf, stif ‘onbuigzaam’ [1240; Bern.], maar meestal stijf, ook ‘recht overeind’ in dat si nyet en stunden stijf ‘dat zij niet rechtop stonden’ [1276-1300; VMNW] en ‘krachtig’, zoals in Die spise maket ... stijf ende stoutt ‘dat eten maakt krachtig en moedig’ [1480; MNW].
Mnd. stīf (waaruit door ontlening nzw. styf); mhd. stīf (nhd. steif); nfri. stiif; oe. stīf (ne. stiff); alle ‘stijf’; < pgm. *stīfa-. In het Noord-Germaans en het Oudfries zijn slechts afleidingen van het bijvoeglijk naamwoord overgeleverd, namelijk Oudnoords stífla ‘dam in een stroom’ en Oudfries stīvia ‘stijf worden’. In de West-Germaanse talen komen ook varianten met korte klinker voor. Mogelijk heeft een deel van deze gevallen een oude nultrap, die teruggaat op de Proto-Germaanse accentwisselvorm *stiba-, en zeker voortleeft in → stift. Wat betreft stif en stef zijn er echter ook andere verklaringen voor te geven, zoals klinkerverkorting.
Verwant met Latijn stīpes ‘paal, stam’; Grieks Stī́pōn (eigennaam) van *stīpos ; Litouws stìpti ‘verstarren’; < pie. *steip-, * stip- ‘stijf’, een labiale worteluitbreiding van *(s)tei- ‘spits’ (IEW 1015-6). De Germaanse betekenissen ‘star’, ‘krachtig’ en ‘recht overeind’ komen ook voor bij Litouws stìpti ‘verstarren’, stiprùs ‘sterk, krachtig’ en stiẽpti ‘zich hoog uitrekken, oprichten’.
Lit.: Heidermanns (1993), 549-550

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stijf* [moeilijk buigbaar] {1201-1250} middelnederduits, middelhoogduits, oudengels stīf; buiten het germ. latijn stipes [paal, boomstam], grieks stiphos [compacte massa], litouws stipti [verstijven]; verwant met stiepel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stijf bnw., mnl. stijf ‘stijf, hard, vast, sterk’, mnd. stīf (> mhd. stīf, nhd. steif), oe. stīf (ne. stiff), vgl. ofri. stīvia ‘stijf zijn of worden’. — Van de idg. wt. *steip, waarvan ook lat. stīpes ‘paal, stam’ en stĭpula ‘halm’, lit. stimpù, stìpti ‘stijf worden’, stiprùs ‘sterk’ (IEW 1015-6). — Voor verdere verwanten zie: steen, verder ook: stiepel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stijf bnw., mnl. stijf “stijf, hard, vast, sterk, flink”. = mhd. (wsch. oorspr. md., ndd.) stîf (nhd. steif), mnd., ags. stîf (eng. stiff) met dgl. bett.; ook ofri. blijkens stîvia “stijf zijn of worden”. Ten onrechte ziet men in ofri. stef “stijf” en ’t daarvan gevormde stevia “stijf zijn” ablautende vormen met oergerm. ĭ; veeleer hebben ze germ. a of e en hooren met ohd. stabên “stijf zijn, worden” bij staf: vgl. nog de oudduitsche glossen erstevoda en erstabêta, beide “diriguit”. Wel vertoonen sticht en stift I den ablautstrap i, wellicht ook stevig; ook mnl. (Maerlant) steffardich “stijf”? Met germ. ai vla. steefel “stut, steunbalk”. Buiten ’t Germ. zijn lat. stîpes “stam, paal, staak, pin”, stîpo “ik druk samen”, lit. stimpù, stìpti “verstijven”, stiprùs “sterk” verwant. De basis stī̆p- is evenals stī̆b- en stī̆bh-, waarvan o.a. laat-mnl. stîpel m. “stut”, nog vla. stijpel “stut, poot (van een stoel e.dgl.)”, mnl. stîper(e) m. “basis”, achterh. stîperen “koppig zijn”, Teuth. stypren “stutten”, dial. du. steipen “id.”, ndd. stîpe, -el, -er, ofri. stîpe v. “stut”, nieuwfri. ook stypje “steunen”, gr. stibarós “opeengedrongen, stevig”, stiphrós “dicht, vast, sterk”, lit. staĩbis “deurpost, scheenbeen”, staibus “sterk, dapper” (ook lat. tîbia “scheenbeen” en oi. stíbhi- “bosje” en arm. stêp “menigvuldig, bestendig”?) komen, een verlenging van stī̆- “dicht, vast, stevig zijn” (zie hierover bij steen).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stijf. Ofri. stef ‘stijf’, stevia ‘stijf zijn’ zouden ook ê < ai kunnen hebben en dan toch met stijf verwant zijn; zeer waarschijnlijk is dit niet.
Het is overbodig, met Frings Germ. Rom. 138 voor de hier genoemde ndl. ndd. fri. woorden met p invloed aan te nemen van lat. stîpes ‘paal, staak, stam’.
“Lit. staĩbis” lees: stáibis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stijf bijv., Mnl. id. + Mhd. stîf (Nhd. steif), Ags. stíf (Eng. stiff), Ofri. stéf, On. stífr (Zw. styf, De. stiv) + Lat. stipes = staak, Lit. stipti = stijf worden en verder steen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stief (bn.) stijf; Vreugmiddelnederlands stijf <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stief I: (dial. v.) baie, buitengewoon (bv. in verbg. stief ryk/ver); Ndl. stijf (as verst. wd. by bw. v. graad, vgl. WNT XV 1612-3, so by vRieb: “blijvende de wind ... stijf doorwaaijen”, vgl. Kloe HGA 46, 215, 307), soos by stiebeuel ook hier Ndl. dial. vorme m. ongedift. i(e).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Stief bw., in oorvloed: Hier is lemoene stief; dié man het geld stief. – Van de Water 135: “Stief, bijw., in overvloed. ’k He geld stief.” Ook in ander dialekte word stief (styf) as bw. van graad gebruik (sien Ter Laan, Corn. & Vervl, 1189. De Bo).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

stijve In 1941 gebruikt in de verbinding een stijve voor ‘een stevige borrel’. Het gaat hier om een verkorting van de uitdrukking een stijve borrel, die aan het begin van deze eeuw is gevonden. Zo schreef de Vlaamse schrijver Gustaaf Segers in 1917 in De Kempische Wereld:

Den Das [...] verklaarde, dat hij zijn chagrijn niet anders kon versmoren, dan er een stijven borrel op te zetten.

Ein Steifer is in het Duits een aanduiding voor een sterke grog of brandewijn. Het Franse un (coup de) raide berust op dezelfde associatie, en ook het Engels heeft termen als a stiff one en a stiff drink.
Met stijf drinken werd voorheen ‘stevig drinken’ bedoeld, en een ‘koppige wijn’ werd wel stijve wijn genoemd. Een en ander leverde soms een stijve roes op.
Vergelijk stevige.

[Stoett 2:107; WNT XV 1606, 1613]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stijf, van den Germ. wt. stif = stijf zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stijf ‘(verouderd) bij bepalingen van hoeveelheid: ruim, meer dan’ -> Deens stiv ‘bij bepalingen van hoeveelheid: ruim, meer dan’.

stijf ‘moeilijk buigbaar’ -> Duits steif ‘moeilijk buigbaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens stiv ‘moeilijk buigbaar; (slang) dronken; (over alcohol) onverdund; (van een schip) met een diep zwaartepunt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stiv ‘moeilijk buigbaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds styv ‘moeilijk buigbaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch † štjf ‘veel stabiliteit bezittend (van een schip)’; Balinees setép ‘stijf, dood’; Negerhollands stiep ‘eigenwijs, star, stroef’; Berbice-Nederlands stifu ‘moeilijk buigbaar’; Papiaments † stijf ‘moeilijk buigbaar’; Sranantongo steif(i) ‘moeilijk buigbaar’; Saramakkaans sitéifi ‘sterk’ ; Surinaams-Javaans stéfi ‘moeilijk buigbaar’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stijf* moeilijk buigbaar 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut