Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stigma - (merkteken (van Christus); schandvlek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stigma zn. ‘merkteken (van Christus); schandvlek’
Vnnl. stigma ‘met een gloeiend voorwerp op het lichaam gedrukt merkteken, brandmerk, schandvlek’ in aengaende het oordeel vanden teeckene ofte stigma diabolicq ‘aangaande het oordeel van het teken of duivelsmerk’ [1660; WNT karakter]; nnl. ‘(plantkunde) stempel van de bloemstamper’ [1772; WNT vrouwelijk], ‘wondteken als aan het lichaam van Christus’ in de dusgenaamde stigmata van Franciscus [1856; WNT kloosterbroeder], ‘(dierkunde) onderdeel van het ademhalingsstelsel van een insect, luchtopening’ [1859; WNT luchtgat], ‘schande, schandvlek’ [1863; Kramers], “uitwendig werktuig der rupsen” [1886; Kramers].
Ontleend aan Latijn stigma ‘brandmerk waarvan Romeinen hun slaven voorzagen’, vandaar ‘beschimping, smaad’, christelijk Latijn ‘wondteken als aan het lichaam van Christus’, ontleend aan Grieks stígma (meervoud stígmata) ‘(met een puntig voorwerp gemaakt) merkteken, brandmerk, door een steek verkregen open wond, tatoeëring’, afgeleid van stízein ‘steken’, dat verwant is met → steken.
In de christelijk-religieuze opvatting verwijzen stigmata naar wonden die vrome christenen op dezelfde plaats krijgen als Jezus tijdens zijn kruisiging, zoals die van Franciscus van Assisi in 1224.
stigmatiseren ww. ‘brandmerken’. Nnl. stigmatiseren “brandmerken; lasteren, kwaadspreken” [1824; Weiland], ‘met de 5 littekens van de gekruisigde Christus kenmerken’ [1847; Kramers], ‘(een groep als geheel) een bepaald negatief kenmerk toedichten’ in door een der Friesche voorstemmers als allernoodlottigst gestigmatiseerd [1866; Leeuwarder Courant]. Ontleend aan Frans stigmatiser ‘beschimpen, aan de schandpaal nagelen’ [1611; Rey], eerder al ‘(met een gloeiend voorwerp) brandmerken’ [1532; Rey], ontleend aan middeleeuws Latijn stigmatizare ‘id.’, afgeleid van stigma. ♦ astigmatisme zn. ‘oogafwijking’. Nnl. astigmatisme ‘het onduidelijk zien, veroorzaakt door ongelijke breking van hoornvlies of lens’ [1862; WNT regelmatig]. Ontleend aan Engels astigmatism ‘oogafwijking die focussen moeilijk tot onmogelijk maakt’ [1849; BDE], wetenschappelijke term gevormd met het achtervoegsel → -isme en het Griekse voorvoegsel → a- ‘niet’ bij Grieks stígma in de betekenis ‘punt’. De letterlijke betekenis is dus ‘het niet kunnen focussen op één punt’. De term werd bedacht door de Britse wetenschapper William Whewell (1794-1866).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stigma [merkteken] {1772} < latijn stigma < grieks stigma [steek, prik, brandmerk], van stizein [steken, prikken, tatoeëren, brandmerken].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stigma (Grieks stigma)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Stigma. (Gr.) Oorspronkelijk verstond men hieronder de punt of steek met een scherp werktuig veroorzaakt; de Romeinen noemden stigma een of ander teeken (meest letters) in de huid geprikt, om dieven of ontvluchte slaven te kunnen herkennen; het werkwoord is: stigmatiseeren.
In de R.-Kath. kerk noemt men gestigmatiseerden zulke personen, aan wier lichaam de vijf litteekenen van Jezus’ wonden voorkomen en die meermalen bloeden, zooals o. a. bij den beroemden Frans van Assisi.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stigma ‘merkteken’ -> Indonesisch stigma ‘merkteken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stigma merkteken 1660 [WNT karakter] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal