Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stier - (mannelijk rund; sterrenbeeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stier zn. ‘mannelijk rund; sterrenbeeld’
Onl. stier ‘mannelijk rund’ in samnunga stiero ‘een groep stieren’ [10e eeuw; ONW]; mnl. stier in stire ende render ‘stieren en runderen’ [1265-70; VMNW], Taurus dats in vlaems .i. stier [1287; VMNW].
Mnd. stēr ‘stier’; ohd. stior ‘stier, os’ (nhd. Stier); oe. stēr ‘stier’ (ne. steer); ofri. stiār; on. stjórr (nijsl. stjór); got. stiur ‘stier’; < pgm. *steura- ‘stier’. Daarnaast bestaan vormen zonder s-, uit pgm. *þeura-: nnl. dial. deur, duur ‘stier’ en on. þjór ‘stier’ (nzw. tjur ‘stier’). Gezien de overeenkomst in betekenis is het aanlokkelijk te veronderstellen dat beide vormen met elkaar verwant zijn. Maar dan moet de *s- van pgm. *steura- reeds pre-Germaans zijn; beïnvloeding door pgm. *stūri- ‘sterk, fors’ (zie → stoer), die men wel verondersteld heeft, is formeel onmogelijk.
Pgm. *þeura- is te vergelijken met: Latijn taurus ‘stier’; Grieks taũros ‘stier’; Litouws taũras ‘stier, oeros’, Oudpruisisch tauris ‘wisent’; Oudkerkslavisch turŭ ‘stier’; Oudiers tarb ‘stier’; Albanees tarok ‘os’. Men kan voor deze vormen pie. *tauro- < *th2euro- reconstrueren, waarbij dan voor pgm. *þeura- de laryngaal al vroeg zou zijn weggevallen. Maar er bestaan gelijksoortige vormen met dezelfde betekenis in de Semitische talen, bijv. Akkadisch šūru-, Hebreeuws šōr, Aramees taurā, Zuid-Arabisch šōr, Noord-Arabisch ṭaurun, Fenicisch tōr; < Proto-Semitisch *ṭaur-. De Indo-Europese woorden zullen daarom wrsch. ontleend zijn. Of het daarbij gaat om ontlening uit het Semitisch, of dat beide taalfamilies het uit een derde hebben overgenomen, is onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stier* [mannelijk rund] {oudnederlands, middelnederlands stier 901-1000} middelnederduits stēr, oudhoogduits stior, oudengels steor, gotisch stiur en met andere anlaut oudnoors þjōrr, waarschijnlijk niet te verbinden met latijn taurus, grieks tauros [stier], litouws tauras, oudkerkslavisch turŭ [oeros]; daarnaast ook middeliers tarb, gallisch tarvos [stier]; etymologie onduidelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stier znw. m., mnl. stier, onfrank. stier, mnd. stēr, ohd. nhd. stier, oe. stēor, got. stiur en daarnaast s-loze vormen als limb. deur en on. þjōrr. — gr. tauros, lat. taurus ‘stier’, lit. tauras, opr. tauris, osl. turŭ ‘oeros’.

Deze verlokkelijke etymologie stuit op moeilijkheden. Daarom scheidt H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 40-41 beide woorden en verbindt stier met av. staora- ‘groot vee’, bij oi. sthavira- ‘sterk’ en dus bij stoer (zo ook IEW 1010), terwijl gr. tauros enz. zou behoren bij gr. taús ‘groot’, oi. tauti ‘heeft macht’, waarvoor zie dij. — Denkt men aan aram. tōr, hebr. šor, dan zou men kunnen vermoeden, dat het een uit het Oosten gekomen woord is. — Geheel anders weer Specht, Idg. Dekl. 35 die kelt. tarvos vergelijkt door Vendryes MSL 12, 1903, 41 als jongere ontwikkeling uit tauros verklaard) en wel als een u-afl. van de stam *tar, die hij terugvindt in skythisch tárandos ‘naam van een viervoetig dier’ en nu denkt aan ontlening van in het Noorden wonende volkeren. — Het woord stier is algemeen in Zuid-Holland ten Zuiden der rivieren, in Zeeland, Noord-Brabant, West en Oost-Vlaanderen en Antwerpen; daarentegen wordt bul of bol gebruikt in Noord-Nederland boven de grote rivieren, var in de Oost-Betuwe, Limburg en in Zuid-Ned. in Brabant en Antwerpen, en eindelijk duur in Zuid-Nl. Limburg en Belg. Limburg, zie de kaart van I. Habermehl, Taalatlas afl. 1, 15.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stier znw., mnl. stier m. = onfr. stier, ohd. stior (nhd. stier), mnd. stêr, ags. stêor, got. stiur m. “stier”; een anlautvariant is on. þjôrr m., limb. deur “id.”. Wordt wsch. terecht met lat. taurus, gr. taūros “stier”, obg. turŭ, lit. tauras “oeros”, opr. tauris “bison”, av. staora- “groot vee” gecombineerd: men neemt dan idg. *(s)têuro-: *(s)tǝuro- aan; deze grondvormen, vooral de tweede, zijn echter onzeker. Nog onklaarder wordt de quaestie als we ook op gall. tarvos, ier. tarb “stier” (*tarwo-) letten. Het feit, dat een met lat. taurus enz. overeenkomend woord ook in ’t Sem. voorkomt (hebr. šôr, aram. tôr), doet aan de mogelijkheid denken, dat een deel der geciteerde vormen of veeleer alle oorspr. niet-idg. zijn, maar uit ’t Sem. of met ’t sem. woord uit een derde taalgroep komen. Het is niet aan te bevelen, germ. *steura-, *þeura- van de andere stiernamen te scheiden en met oi. sthávira- “dik, dicht, stevig” (zie stuurs) te identificeeren. Zig. šturno “stier” zal wel bij de geciteerde woorden voor “stier” hooren, maar is voor de etymologie van geen belang.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stier. Sommigen scheiden stier van lat. taurus, gr. tau͂ros en de slav. en balt. woorden, en achten uit het Germ. daarmee alleen verwant on. þjôrr uit *þeura- (en limb. deur, duur, dat daarmee niet geheel identisch is: het wijst op een i- of ja-stam), maar onder invloed van stier vervormd, welk laatste dan veelal met av. staora- ‘groot vee’ bij oi. sthávira- wordt gebracht. Zo Brugmann Grdr. II², 1, 353, met instemming van Petersson Idg. Heterokl. 50 vlg.; Lommel KZ. 46, 53 vlg. houdt oi. sthávira- afzijdig.
Deze scheiding tussen de germ. woorden met en zonder s is niet gewenst. De combinatie met oi. sthávira-, waardoor de gehele groep van stier vanouds idg. zou worden, maakt de verhouding tot de sem. woorden moeilijker: het is toch niet waarschijnlijk dat de sem. woorden aan het Idg. zouden zijn ontleend, zoals sommigen aannemen.
Kelt. *tarwo- wordt bevredigend verklaard als vervorming naar het kelt. woord voor ‘koe’ (ier. ferb).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stier m., Mnl., Onfra. id. + Ohd. stior (Mhd. stier, Nhd. id.), Ags. stéor (Eng. steer), On. stjórr, met bijvorm þjórr (Zw. tjur, De. tyr), Go. stiur + Zend staora, Gr. taũros, Lat. taurus, Gall. tarvos, Oier. tarb, Osl. turŭ. Volgens velen verwant met stuursch en daar vermelde vormen; dan zijn Aram. tor, Hebr. šor = stier, aan ’t Idg. ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stier s.nw.
1. (verhewe) Bul. 2. (ook met 'n hoofletter Stier) Tweede teken van die diereriem.
Uit Ndl. stier (al Mnl.).
D. Stier (9de eeu), Eng. steer (700).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

stier: 1) vrouwengek; rokkenjager; geile kerel. Vgl. hengst*.

Deze brief richt ik tot alle vrouwen die ik heb gekend – nee, makker, duidelijker zijn – alle vrouwen die ik heb békend. Dat zijn er wel enkele, al ben ik niet bepaald een parochiestier of, moderner gezegd, een begenadigd versierder, of zo’n type aan wie de mooie meiden als vanzelf vastplakken en op wie ik zo jaloers ben. (Geert van Istendael, Anders is niet beter, 1996)

2) woesteling; dom persoon. Reeds bij Bredero: ‘Gy buffel, gyesel, gy stier, gy bock, gy bul, gy var, Gy Kalf, gy kapoen, gy Olyphant as gy bent, Gy kinckel enz.’

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stier ‘sterrenbeeld’ (bet. van Latijn taurus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

stier. Als men een hekel aan iemand heeft en betrokkene dientengevolge onder begeleiding van veel ongemakken ver uit zijn buurt wil hebben, gebruikt men volgens Mullebrouck (1984) in Vlaanderen de verwensing ik wenste dat ge op een tochtige stier naar Engeland reed! De emotionele betekenis kan goed weergegeven worden met ‘donder op van hier en word gezegend met veel ongemakken, zo kots ik van je’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stier* mannelijk rund 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut