Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stiekem - (heimelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stiekem bn. ‘heimelijk’
Nnl. stiekem ‘stil, zwijgend’ [1844; Moormann], in mij maar ... stiekem te houden [1845; WNT], ‘in het geniep, heimelijk, buiten medeweten van anderen, achterbaks’ in ik heb toch stiekem eens eventjes aan Rothschild gevoeld [1882; Groene Amsterdammer].
Wordt gewoonlijk afgeleid van Jiddisch sjtieke ‘stil’, uit Hebreeuws šətīqā ‘stilte, stilzwijgen’, bij het werkwoord šātaq ‘zwijgen, stil zijn’. De m zou dan een loze toevoeging zijn. Ook is mogelijk om het Jiddische werkwoord sjtiekenen ‘zwijgen’ als uitgangspunt te nemen. Dit werkwoord is afgeleid van sjtieke, met behulp van het in veel Hebreeuws-Jiddische werkwoorden optredende suffix -en-. De n van dit suffix is dan gelabialiseerd, zoals bijv. ook in jajem (uit jajen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stiekem [heimelijk] {1900} < jiddisch sjtike [stil] < hebreeuws šəthīqā [stilte, zwijgen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

stiekem

Het woord stiekem en het daarbij behorende stiekemerd zijn van Hebreeuwse oorsprong. Wij hebben te maken met een woordfamilie die zwijgen als hoofdbetekenis had. Het woord zwijgzaamheid luidde ongeveer setiqah en daaruit is het Jiddische stieke of sjtieke ontstaan.

Stiekem betekent dus eigenlijk: zwijgend en vandaar: in het geheim. Een stiekemerd is nog altijd iemand die in het geheim lelijke streken uithaalt, iemand die ze achter de elleboog heeft, een geniepigerd.

Eigenaardig is dat stiekem in een aantal gevallen zijn ongunstige betekenis heeft verloren. Men kan zeggen: het is zulk lelijk weer, laten we maar stiekem thuisblijven. In zo’n zin is de betekenis: ongemerkt, kalm, rustig en ze is zelfs al dicht genaderd tot: lekker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stiekem bijw. bnw. is een bargoens woord uit jiddisch štieke < hebr. šetiqōh ‘stilzwijgen’ bij šātaq ‘zwijgen’ (Moormann 1, 349).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stiekem, stiekemerd bijw. bnw., resp. znw. Stiekemerd van stiekem. Wordt uit ’t Bargoensch verklaard. De oorsprong is misschien bij jodenduitsch štieke = hebr. šǝtîqâh “stilzwijgen”, van hebr. šâtaq- “zwijgen”, te zoeken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stiekem. Het woord “misschien” kan vervallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stiekem, stiekum bijw., bijv., uit Jodend. štieke, van Hebr. šәtīqāh = stilzwijgen, šātaq = zwijgen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stiekem (Jiddisch sjtieke)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stiekem ‘heimelijk’ -> Duits dialect stiekem, stiekum ‘heimelijk, plotseling, steil, zojuist, rustig, zachtjes’; Petjoh stiek'm ‘in het geheim, in het geniep’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stiekem heimelijk 1875 [Polak, Geïllustreerd Politie Nieuws] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2176. Stiekem (of stiekempjes),

d.w.z. stil, in 't geheim; heimelijk (adj. en adv.); een stiekemerd, iemand, die in 't geheim leelijke streken uithaalt, dien men niet kan vertrouwen. Stiekem is van hebreeuwschen oorsprong en herinnert aan het hebr. sjetieka, het stilzwijgen, hoogd. uitgesproken sjtieke, van sjatak, zwijgen; vgl. Kluge, Rotw. 236: stikum (18de eeuw), stille; bl. 306: stiko, Stille, Schweigen (19de eeuw); bl. 439: stîgem, still. Zie Köster Henke, 66; Gunnink, 216; Nw. School, V, 210: Die hebben me daar, zo stiekem weg, mekaar knap zitten maken; Handelsblad, 26 Oct. 1914 (ochtendbl.), p. 2 k. 1: Als de Duitschers heengaan, vertrekken ze met de nevelkar, stiekum in den nacht; Nkr. VIII, 31 Oct. p. 6: Het gebeurde wel eens dat een van je kameraden je stiekum een pannetje warm eten bracht; Kunstl. 11; 141: Die f'rstond s'n eige stikum met de dufel; 276: Ze moesten eens stiekem komen kijken; Kunstl. 14 (stiekempies); Amstelv. 136 (stiekempjes); Menschenw. bl. 21 (stikempies); bl. 243: Z'n stiekeme vrijagetje; bl. 486: Hoe lekker hij hier stiekem zijn kermis hield; Schakels, 73: Met me stiekeme zaken heeft-ie niet noodig; Het Volk, 19 Juni 1914, p. 2 k. 3: Een post van 3000 gulden, die door het vorige ministerie stiekum buiten de kamer om aan kerken was toegestopt; Boefje, 11: Dat was een suffert, een sloomeDit ‘sloom’ (ook slom) komt in het Bargoensch dikwijls voor; vgl. Köster Henke, 63: sloom, langzaam; sloome, suffer; sloome duikelaar, iemand die door zijn luiheid ten onder gegaan is. Iemand die geen lef heeft (zie voor dit laatste o.a. Op R. en T. 89; Nkr. II, 19 Jan. p. 4; Amst. 46 (slomme duikelaar); Onze Volkstaal, III, 253: slome duikelaar (in tooneeltaal), een martelaar in de kunst (volgens Voorzanger en Polak, Het Joodsch in Nederland, bl. 33 een bekend Amsterdamsch personage, wiens naam Forster was en wien veel luimige zetten toegeschreven werden); Haagsche Post 1 Dec. 1917 p. 1 k. 4: De politieke slangenmenschen en sloome duikelaars in onze Tweede Kamer (hier duikelaar in letterlijken zin). De oorspr. beteekenis der uitdr. ‘de held van allerlei anecdoten en kwinkslagen’ is verduisterd doordat sloom (shlaum, shelaumauh = Salomo) in verband gebracht werd met het adjectief sloom (zie N. Taalgids X, 284); Landl. 292: Z'n pet stond zoo sloom op z'n ooren; Jong. 111: Hè, hè, je kan ons toch niet krijge, sloome! bl. 113: Hoor 'm reis aangaan, die rakker van den ‘Sloome’; Jord. 318: Gaùj dèt op de Seidaàk ùyt swaàn, es je 't kwaàt wil weise, slaume!.... sputterde Neeltje Terwee; Jord. II, 84: Zoo een sloome kaasdraaier! Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915, p. 7 k. 2: Die sloome goeierd. - Hiernaast een wkw. sloomen (Nw. School, VIII, 214: Je bent zeker al benoemd hè, sloomde ik) en een znw. sloomigheid (in Nw. Amsterdammer, 2 Jan. 1915, p. 2 k. 3). Waarschijnlijk is het ndl. sloom verwant met sluimeren en het mnd. slomen; zuidndl. sluimmen, sluipen, stilletjes wegnemen, bedekte middelen gebruiken (Vercoullie, 264; De Bo, 1041; Schuermans, Bijv. 305)., een stiekemert; fri. stikem, stikum; stikemert, leukerd, die schijnbaar onnoozel met list zijn doel bereikt; Molema, 403: hij holt hom stiekom, hij zegt niets; stiekom alle week, geregeld elke week; Boekenoogen, 1005; Bouman, 103: stiekem, stevig, stijf; hij gaat maar stiekem door, stijfweg zonder omzien; Opprel, 85; V. Schothorst, 206; enz. Een van stiekem afgeleid wkw. stiekemen komt voor in Kunstl. 52: In z'n eigen huis stiekemde smuigerig gekonkel over z'n failliet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut