Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stevig - (sterk, fors)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stevig bn. ‘sterk, fors’
Mnl. stevich, eerst in de afleiding stevigen ‘stevig maken’ in Dat gebet ... sel stevigen onse gemoede ‘dat gebed zal ons gemoed sterken’ [1439; MNW], stevich ‘sterk; vast; opgericht’ [1477; Teuth.].
Wrsch. afgeleid met het achtervoegsel → -ig van mnl. stif, de nevenvorm met korte klinker van → stijf, met e < i door rekking in open lettergreep. Vanwege de betekenis lijkt afleiding met umlaut van → staf minder waarschijnlijk.
Mnd. stevich ‘vast, bestendig; krachtig’, steve ‘vast, bestendig’; nfri. stjûch ‘koppig’ (naast stevig als ontlening aan het nnl.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stevig* [sterk, fors] {stevich, stevych 1477} middelnederduits stevich, met e < i en dan van stijf of met e als umlaut van a en dan van staf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stevig bnw., Teuth., mnd. stēvich en stēvelik, maar vgl. mnl. stēvigen (eenmaal 1439) ‘sterken’. — Men kan uitgaan van een stam met i en dan behoort het bij stijf, of men kan umlaut van a aannemen en dan bij staf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stevig bnw., niet bij Kil., wel Teuth. stevich, en mnl. (eenmaal, 1439) stēvigen “sterken”. = mnd. stēvich naast stēvelik “vast, stevig”. De ē is òf uit i ôf door umlaut uit a ontstaan. In ’t eerste geval bij stijf, in het tweede bij staf. Ook mnl. stëve (v.?) “stok, steel” kan op beide wijzen verklaard worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stevig bijv., een afleid. van den zwakken stamgraad van stijf.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

stevige Vaak ligt bij borrelnamen de nadruk op geringe hoeveelheid drank per glaasje. Maar er zijn wel degelijk borrelnamen die het tegendeel uitdrukken, zoals dikkop, echte, goeie, taaie en stevige. Deze laatste borrelnaam is onlangs nog in Noord-Brabant gehoord, maar hij zal zeker ouder zijn. Aan het eind van de 19de eeuw was in een Vlaamse bron sprake van een stevigen druppel jenever, en nog veel eerder, in de 16de en 17de eeuw, vinden we verbindingen als een stevigen dronck en een stevig glas. Het WNT tekent daar overigens bij aan dat hierbij meer ‘aan een aantal dan aan een omvang gedacht’ moet worden. Men noemt een stevige borrel ook wel een straffe. Ook deze borrelnaam is in Noord-Brabant gesignaleerd, en in Gent. In het Amerikaans-Engels werd de stevigheid van de borrel wel uitgedrukt in de benaming hardware, dat oorspronkelijk ‘ijzerwaren’ betekende. Min of meer overeenkomstig is het Duitse Strammer.

[WNT XV 1566]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stevig, afl. van stijf; vgl. ’t Mnl. steve = staf, steel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stevig ‘sterk, fors’ -> Fries stevich ‘sterk, fors’; Sranantongo steifi ‘sterk, krachtig’; Surinaams-Javaans stéfi ‘sterk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stevig* sterk, fors 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut