Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steven - (uiteinde van een schip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steven zn. ‘uiteinde van een schip’
Mnl. stevene in Greep hi een scip ... Bider stevene ‘greep hij een schip bij de steven’ [1325-50; MNW-R], naast staven in daer hi up die staven lach ‘waar hij op de steven lag’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. ook steve [1599; Kil.].
Os. stamn ‘steven’ (mnd. steven, waaruit nhd. Steven); ofri. stevene (nfri. stjûne); oe. stemn, stefn (ne. stem); on. stafn (nzw. stam); alle ‘steven’; < pgm. *stabna-, *stabni-, *stabnijō-. De verbinding labiale fricatief + nasaal kan echter ook zijn voortgekomen uit -mn-, een meer voorkomende klankcombinatie in de Germaanse talen. In dat geval gaat steven terug op pgm. *stamna-, *stamni-, en heeft het dezelfde herkomst als → stam.
In het eerste geval is het woord afgeleid van de wortel van → staf.
De grondvormen waarop steven kan worden teruggevoerd, namelijk die van staf of stam, hebben beide onder meer als betekenis ‘steun, stijl, pijler’. Dat men deze betekenis heeft gebruikt als benoemingsmotief voor de steven, moet zijn ingegeven door de plaats, vorm en functie hiervan. Die is namelijk een opgaande voortzetting van de kielbalk van het schip en aanhechtingsbalk voor de scheepshuid van beide zijden. Uitgaande van de theorie van twee verschillende wortels moet men bedenken dat de daaruit voortgekomen, hier van belang zijnde woorden naar vorm en betekenis niet veel verschilden, waardoor vormen en betekenissen zeer waarschijnlijk dooreen zijn gaan lopen. Daarbij komt dat er niet alleen hier en daar een klankontwikkeling -mn- > -vn- heeft plaatsgehad, maar in de Noord-Germaanse talen ook een in omgekeerde richting. Een en ander maakt dat voor sommige vormen een enigermate zekere herleiding tot een van beide wortels onmogelijk is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steven* [uiteinde van een schip] {steven(e) 1350} oudfries steven(e), oudsaksisch stamn, oudengels stemn, stefn, oudnoors stafn, wel van staf1; van de vormen stamn en stemn is aangenomen dat zij ontstonden door associatie met stam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steven znw. m., mnl. stēvene, Kiliaen steve, mnd. stēven(e), mhd. stebene, ofri. stevene, steune. Daarnaast staan os. stamn, oe. stæfn, stemn ‘steven, boomstam, grondslag’, on. stafn ‘steven, gevel, hoofddoek’.

Men kan uitgaan van een grondvorm *staƀna, die dan op verband met staf wijst of van *stamna, waarbij te verwijzen is naar stam. — Uit mnl. stevene is afgeleid fra. estain, étain, étein ‘eerste spant van het achterdeel van een schip’ (Valkhoff 129).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steven znw. Kil. steve, mnl. stēvene v. = mhd. (md.) stebene, mnd. stēven(e), ofri. stevene, steune v. “steven”. Het gaat niet aan, het synonieme os. stamn, ags. stemn, stefn (eng. stem; ook ags. stefna m.), on. stafn m. van steven te scheiden. Al deze vormen zullen wel een element staƀ- bevatten (sommige een ablautend steƀ-?) en met staf verwant zijn. De ags., os. vormen zijn met stam in associatie getreden. Wsch. ten onrechte heeft men de beide woordgroepen van steven en stam voor van huis uit verwant en dus os. stamn, ags. stemn voor identisch met stam gehouden. De Brusselsche Matthaeus-glosse in-stefendemo “ascendente (in navem)” is ten onrechte als os. vorm bij steven gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steven m. (van een schip), Mnl. stevene, Os. stamn + Mhd. stebene, Ags. stefn, stemn (Eng. stem), On. stafn (Zw. stäf, De. staevn), verwant met staf. Os. stamn en Ags. stemn zijn gewijzigd door stam. Uit Ndd. Hgd. steven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sten I: (dial. v. gew.) voorpunt v. boot/skuit; uit stewe (mv. stewens); Ndl. steven (Mnl. stevene), Eng. stem (deur ass. uit ouer stefn), nie verw. aan Eng. stern nie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steven ‘uiteinde van een schip’ -> Engels † steven ‘uiteinde van een schip’; Schots † steven ‘uiteinde van een schip’; Duits Steven ‘uiteinde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens stævn ‘uiteinde van een schip’ (uit Nederlands of Fries); Noors stavn, stevn ‘voor- of achtereind van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stäv ‘uiteinde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests tääv ‘uiteinde van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch štéven' ‘uiteinde van een schip’; Azeri štéven' ‘uiteinde van een schip’ ; Litouws števenis ‘uiteinde van een schip’; Esperanto steveno ‘uiteinde van een schip’ ; Papiaments stef ‘uiteinde van een schip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steven* uiteinde van een schip 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut